Gegevens van de regeling
| Overheidsorganisatie | Gemeente Ferwerderadiel |
|---|---|
| Officiële naam regeling | Kampeerbeleid NOFA + definitief ontwerp |
| Citeertitel | Kampeerbeleid NOFA |
| Vastgesteld door | gemeenteraad |
| Deze versie is geldig tot (als de vervaldatum is vastgesteld) | |
| Onderwerp | Algemeen |
| Opmerkingen m.b.t. de regeling | Geen. |
| Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving) | Geen. |
| Betreft (aard van de wijziging) | nieuwe regeling |
| Datum van inwerkingtreding van (een versie van) de regeling | 16-04-2009 |
| Datum terugwerkende kracht (t/m) van (een versie van) de regeling | |
| Datum ondertekening van (een wijziging van) de regeling | 19-03-2009 |
| Bron bekendmaking van (een wijziging van) de regeling | Gemeenteblad, t.w. Sawn Stjerren Nijs dd. 15 april 2009. |
| Kenmerk voorstel | 8/12.09 |
Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd
Wet ruimtelijke ordening.Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen
| Datum inwerkingtreding | Terugwerkende kracht t/m | Betreft | Datum ondertekening Bron bekendmaking |
Kenmerk voorstel |
|---|---|---|---|---|
| 16-04-2009 | nieuwe regeling | 19-03-2009 Gemeenteblad, t.w. Sawn Stjerren Nijs dd. 15 april 2009. |
8/12.09 |
Kampeerbeleid NOFA+
Definitief Ontwerp
Plaats, datum:
| Gemeente Kollumerland c.a. |
Opgesteld door: Opdrachtgever: Projecttrekker:
| F. Kamstra en M. Verduijn NOFA+ (PFO Recreatie en Toerisme) Gemeente Kollumerland c.a. |
Versie | Definitief Ontwerp 29 januari 2009 |
Inhoudsopgave
Inleiding
Voor u ligt het nieuwe beleidsplan ‘Kampeerbeleid NOFA+’ van de vijf Noordoost Friese gemeenten Achtkarspelen, Dantumadeel, Dongeradeel, Kollumerland c.a. plus Ferwerderadiel. De aanleiding hiervan is het intrekken van de Wet op de Openluchtrecreatie (WOR) door de rijksoverheid per 1 januari 2008. Hiermee vervalt voor gemeenten de basis voor het huidige kampeerbeleid en de op deze wet gebaseerde vergunningverlening. De intrekking van de WOR betekent voor de gemeenten dat zij nieuw beleid en regels moeten maken teneinde het kamperen te reguleren. Gemeenten krijgen daarbij de kans om de ontwikkeling van recreatie en toerisme te stimuleren.
Achtergrond intrekking van de WOR
Het rijk heeft besloten tot intrekking van de WOR vanuit het streven naar deregulering. Achtergrond is dat de moderne overheid terughoudender dient te zijn in wat zij regelt en meer ruimte biedt aan burgers en hun organisaties. Het beleid voor de verblijfsrecreatie dient vanuit dit perspectief meer ruimte te bieden aan ondernemers. Dit om aan de eisen van de consument te kunnen voldoen en zo de concurrentiepositie te behouden. Het rijk is voorts van mening dat de centrale doelstelling van de WOR om een bijdrage te leveren aan een grotere verscheidenheid aan kampeervormen niet is gerealiseerd. Verscheidenheid van kampeervormen kan volgens haar niet zozeer via regelgeving worden beïnvloed. Het gaat om de vraag ernaar en of op gemeentelijk niveau bepaalde kampeervormen al dan niet worden toegestaan.
De WOR bevat regels over de ruimtelijke spreiding en diversiteit van het kampeeraanbod en is de basis voor vergunningen, ontheffingen en vrijstellingen op het gebied van kamperen. De overheid heeft besloten om deze wet fasegewijs in te trekken, waarvan de laatste fase is aangebroken. Zo zijn eerder per 1 november 2005 alle voorschriften die geen betrekking hebben op kamperen (bijvoorbeeld de bepalingen over het vestigen van volkstuincomplexen) komen te vervallen. Voorheen bevatte de WOR ook nog voorschriften voor hygiëne, gezondheid en veiligheid met betrekking tot kamperen. Deze waren vastgelegd in het Besluit Hygiëne, Gezondheid en Veiligheid Kampeerterreinen dat eveneens is ingetrokken. Voor zover noodzakelijk zijn de voorschriften uit dit besluit reeds geregeld in andere wet- en regelgeving zoals bijvoorbeeld de Wet Milieubeheer en het Waterleidingbesluit.
Voor de resterende onderwerpen die nu nog in de WOR zijn geregeld ontbreekt volgens het rijk eveneens de noodzaak van regelgeving en treedt de laatste fase van intrekking in. Gemeenten zullen als gevolg hiervan nu zelf invulling en vorm moeten geven aan het kampeerbeleid op hun grondgebied. Daarbij gaat het om het opnieuw regelen van het reeds bestaande beleid, maar ook om het maken van nieuwe afwegingen. De WOR bepalingen over het kamperen blijven nog tot 1 januari 2008 van kracht, waarna het gemeentelijke beleid en de daaruit voortvloeiende nieuwe regelgeving bepalend worden.
Gevolgen intrekking WOR
Voor 1 januari 2008 moeten gemeenten hun regelgeving op het gebied van kamperen aanpassen. Als gevolg van de intrekking van de WOR vervalt de basis voor het gemeentelijk kampeerbeleid en/of de kampeerverordening voor de verschillende vormen van kamperen. Dit betekent dat de aan recreatieondernemingen verleende vergunningen, vrijstellingen en ontheffingen komen te vervallen. Verder verdwijnt ook het wettelijke onderscheid tussen de verschillende kampeervormen en het verbod op het kamperen buiten kampeerterreinen. Om het kamperen in de toekomst in goede banen te leiden en te sturen is nieuw beleid nodig. Voor zowel de inwoners als de bedrijven dient het helder te zijn wat de mogelijkheden en beperkingen zijn op het gebied van kamperen.
Alle gemeenten moeten ten gevolge van het intrekken van de WOR keuzes maken ten aanzien van het reguleren van kamperen op hun grondgebied. Voor de onderwerpen die nu nog in de WOR staan dienen gemeenten te bepalen welke zij zelf willen gaan regelen en hoe. Eveneens moeten zij beargumenteren welke onderwerpen overgelaten kunnen worden aan de verantwoordelijkheid van de markt. Hierbij is van belang dat deregulering en het vereenvoudigen van regelgeving een belangrijk uitgangspunt is. Naast het maken van beleidskeuzes betekent de intrekking het kiezen van nieuwe juridische instrumenten. Het is van belang dat een gemeente eerst haar beleid vaststelt en vervolgens gaat bepalen welke juridische instrumenten zij gaat inzetten om de doelstellingen van het beleid te realiseren.
De VNG pleit ervoor dat het regionaal kampeerbeleid na intrekking van de WOR zijn neerslag vindt in het bestemmingsplan en de bijbehorende voorschriften. Het gaat dan om de ruimtelijke aspecten van het kampeerbeleid, waarvoor het bestemmingsplan het toetsingskader wordt. De niet-ruimtelijke voorschriften dienen gestalte te krijgen op grond van een verordening of bijzonder besluit. Dit alles heeft tot gevolg dat gemeenten op een andere wijze voorschriften gaan stellen en dat ook de controle op de naleving van deze voorschriften op een andere manier zal plaatsvinden. Duidelijk is overigens dat de inbedding in bestemmingsplannen gezien het tijdspad niet te realiseren is voor de gestelde datum van 1 januari 2008. Om deze reden is ook aandacht nodig voor een tijdelijke overgangsregeling vanaf 1 januari 2008.
Uitgangspunten regionaal kampeerbeleid
De intrekking van de WOR biedt de gelegenheid om het bestaande beleid opnieuw onder de loep te nemen en te komen met een nieuw kampeerbeleid. Vanuit de kampeersector is erop aangedrongen dat gemeenten de beleidskeuzes voor het kamperen binnen de toeristische regio’s op elkaar afstemmen. Regionale afstemming van het kampeerbeleid is voor de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid van recreatieondernemers van groot belang. Ondernemers in het gebied krijgen hierdoor dezelfde kansen om hun producten en diensten aan te bieden. Ook houden landschappen niet op bij de gemeentegrenzen. Het toeristische beleid vraagt dan ook nadrukkelijk om over deze grenzen heen te kijken.
In Noordoost Fryslân werken de vier gemeenten Achtkarspelen, Dantumadeel, Dongeradeel en Kollumerland c.a. binnen NOFA-verband al enige jaren met elkaar samen. Op het gebied van recreatie en toerisme vindt tevens afstemming plaats met Ferwerderadiel (NOFA+) en bestaan er gezamenlijke projecten. In dit kader is door het portefeuillehoudersoverleg (PFO) Recreatie en Toerisme het besluit genomen om het nieuwe kampeerbeleid (en de vertaling hiervan in regelgeving) gezamenlijk op te stellen voor geheel Noordoost Fryslân. Voor dit beleid hebben zij de volgende richtlijnen meegegeven:
dereguleren waar dit mogelijk is en streven naar uniforme regelgeving en handhaafbaarheid;
streven naar een verhoging van het aantal toeristische overnachtingen;
stimuleren van productdifferentiatie en productkwaliteit in de regio;
toepassing van zonering als instrument om verblijfsrecreatie in te passen in het landschap;
recreatieondernemers en brancheorganisaties betrekken bij de totstandkoming van het nieuwe kampeerbeleid.
Zoals uit het laatste punt blijkt is de mening van de recreatieondernemers zelf een belangrijke input voor het nieuwe beleid. Het beleid en de regels hebben op hen betrekking en zij moeten de vruchten hiervan kunnen plukken. Naast de bovenstaande richtlijnen vanuit de regio is het nodig om bij de uitwerking van het beleid ook rekening te houden met de door de rijksoverheid en de provincie gestelde uitgangspunten.
Het dereguleren is al eerder genoemd, maar het gaat hier ook om het provinciale ruimtelijk beleid zoals vastgelegd in het nieuwe streekplan.
Het gewenste resultaat is een regionaal kampeerbeleid per 1 januari 2008 dat aan recreatieondernemers kansen biedt en dat het toeristisch-recreatieve product in Noordoost Fryslân versterkt, alsmede een eenvoudige en heldere regelgeving die de belangen van de bedrijven en de inwoners voldoende waarborgt. Uiteindelijk dient het kampeerbeleid ruimtelijk zijn neerslag te vinden in de bestemmingsplannen en de hierin geldende voorschriften. De niet-ruimtelijke voorschriften krijgen gestalte op grond van een verordening en/of een bijzonder besluit.
Totstandkoming kampeerbeleid
De onderhavige beleidsnotitie vormt de uitwerking van het nieuwe kampeerbeleid. Met inachtneming van de hiervoor genoemde uitgangspunten bouwt het nieuwe kampeerbeleid voort op het huidige beleid zoals vastgelegd in de bestaande notities en beleidsplannen van de NOFA+ gemeenten. Zo hebben de gemeenten Achtkarspelen, Ferwerderadiel en Kollumerland c.a. recentelijk nieuwe toeristische beleidsplannen vastgesteld. Het gaat hier om plannen die de gehele toeristische sector betreffen, waarvan het kamperen een onderdeel vormt. In deze actuele plannen is deels al rekening gehouden met het intrekken van de WOR en de mogelijkheden die dit biedt. Hoewel soms per gemeente verschillende beleidsuitgangspunten gelden, is getracht om in deze notitie de gezamenlijke noemer te vinden.
Verder sluit deze notitie aan bij de VNG-publicatie “Het kampeerbeleid na de Wet op de openluchtrecreatie” (groene reeks 129). Deze publicatie biedt handreikingen aan de gemeenten over een nieuwe invulling van het beleid. Het opstellen van beleid en de vertaling c.q. uitwerking hiervan in de bestemmingsplannen is hieruit overgenomen. Dit betekent tevens dat het ruimtelijke beleid een belangrijk kader is voor het kamperen. In dit verband is natuurlijk rekening gehouden met het nieuwe streekplan van de provincie Fryslân ‘Om de kwaliteit fan de romte’. In dit plan worden ook kaders gegeven voor de ontwikkeling van de recreatie en toerisme in Fryslân. Wat opvalt is dat meer dan voorheen ruimte wordt gegeven aan deze groeiende vorm van werkgelegenheid.
Voor het opstellen van dit beleid zijn bedrijfsbezoeken gehouden bij de recreatieondernemingen in de NOFA+ gemeenten. Zowel de grotere reguliere campings als de kleinschalige minicampings zijn in dit kader bezocht. Aan de ondernemers is gevraagd naar de problemen die zij ondervinden, de ontwikkelingen die zij verwachten en de behoeften die er bestaan. Tevens is in de gesprekken aandacht besteed aan concrete vragen of wensen die ondernemers hebben. De uitkomsten zijn meegenomen in het onderhavige beleid. Voor wat betreft het betrekken van de brancheorganisaties geldt dat hun standpunten bij het opstellen van dit beleid nagenoeg bekend waren. Diverse publicaties zijn verschenen waarin zij gelet op hun doelgroep voor bepaalde ontwikkelingen pleiten. Deze zijn meegewogen in de formulering van het beleid.
Leeswijzer notitie
In onderhavige notitie is het kampeerbeleid voor Noordoost Fryslân beschreven. Voor een goed begrip van dit beleid is het nodig om eerst inzicht te krijgen in de aard en omvang van het kamperen in deze regio. Deze notitie vervolgt daarom eerst met een korte kenschets van het kamperen in Noordoost Fryslân. Ingegaan wordt op het aantal recreatieondernemingen, de overnachtingen, werkgelegenheid en de ontwikkelingen in de branche.
Vervolgens gaat het verder met de uitwerking van het kampeerbeleid dat is ingedeeld in een drietal onderdelen, te weten: het reguliere kamperen, het kleinschalig kamperen en het overige kamperen.
Deze indeling sluit aan bij de eerdere bepalingen van de WOR en het verschil in aard en omvang van de kampeervormen. Een verschil dat uiteindelijk consequenties heeft voor de regelgeving die hierop van toepassing is. Het zwaartepunt in deze notitie ligt op het kleinschalig kamperen daar de intrekking van de WOR deze vorm het meeste raakt. Per onderdeel wordt de inhoud van de WOR vertaald naar de uitgangspunten die de NOFA+ gemeenten hiervoor in de toekomst wensen te hanteren. Omwille van de overzichtelijkheid zijn de belangrijkste beleidsuitgangspunten in de tekst vetgedrukt weergegeven. De beleidsnotitie eindigt met een juridische vertaling van het eerder geformuleerde beleid. Hierin is concreet aangegeven hoe een en ander in de bestemmingsplannen en de APV van de gemeenten kan worden opgenomen. Gelet op het feit dat deze procedures veel tijd in beslag nemen, zal een alternatief worden geboden voor de overgangsperiode na 1 januari 2008. Aan het einde van deze notitie vindt in de vorm van een samenvatting een opsomming plaats van alle gemaakte beleidskeuzes.
Recreatie en toerisme in Noordoost Fryslân
In dit hoofdstuk wordt een kenschets gegeven van de recreatie en toerisme in Noordoost Fryslân. Het doel is om achtergrondinformatie te geven over deze sector teneinde het beleid in deze notitie beter te kunnen plaatsen. Cijfermateriaal wordt getoond over de accommodaties en het aantal overnachtingen in deze regio. Ook wordt ingegaan op de ontwikkeling van de werkgelegenheid in de sector recreatie en toerisme. Voor deze gegevens is gebruik gemaakt van het rapport ‘Toerisme in Cijfers 2005 Noordoost Fryslân’ van het Instituut Service Management (ISM) en het Werkgelegenheidsregister van de Provincie Fryslân. Het rapport van het ISM is speciaal gemaakt om meer inzicht te krijgen in de recreatie en toerisme in Noordoost Friesland. Let wel het betreffen gegevens van het jaar 2004, omdat meer actuele cijfers voor Noordoost Fryslân afzonderlijk op dit moment niet voorhanden zijn.
Recreatiebedrijven in Noordoost Fryslân
Tabel 2.1 biedt inzicht in het aantal bedrijven, de capaciteit en het aantal overnachtingen in Noordoost Fryslân. Uit deze cijfers over het jaar 2004 blijkt dat de meeste bedrijven voor komen in de categorieën Logies en Ontbijt en Campings met respectievelijk 55 en 42 bedrijven. De 42 campings in de regio hebben een capaciteit van gezamenlijk 1.423 standplaatsen, waarvan 35,8% bestaat uit vaste en 64,2% aan toeristische standplaatsen.
De 55 kleinschalige Logies en Ontbijt gelegenheden beschikken in totaal over 315 bedden. Zij hebben gezamenlijk meer bedden dan de 16 aanwezige hotels in Noordoost Friesland die een capaciteit hebben van 297 bedden. De recreatieparken kennen in 2004 met 145 verhuurwoningen een geringe capaciteit, hoewel met de ontwikkeling van Esonstad dit anno 2007 sterk veranderd zal zijn.
Tabel 2.1 | Aantal bedrijven, capaciteit en het aantal overnachtingen in Noordoost Fryslân, 2004
| ||||
Categorie | Type accommodatie | Bedrijven | Capaciteit | Overnachtingen | |
Hotels | Bedden | 16 | 297 | 32.723 | |
L & O | Bedden | 55 | 315 | 10.908 | |
Camping | Vaste standplaatsen Toeristische standplaatsen | 42 | 509 914 | 90.538 70.120 | |
Recreatiewoning | Verhuurwoningen Tweede woning | 16 | 145 61 | 45.886 6.100 | |
Groepsaccommodatie | Bedden | 13 | 391 | 23.325 | |
Jachthaven | Vaste ligplaatsen Passantenplaatsen | 15 | 1.701 497 | 69.522 0 | |
Bootverhuur | Verhuurboten | 3 | 16 | 0 | |
Totaal | Totaal Noordoost Fryslân | 160 | 4.846 | 343.022 | |
Bron: Toerdata Noord (ISM) | |||||
Overnachtingen in Noordoost Fryslân
In tabel 2.1 is van de aanwezige accommodaties ook het aantal overnachtingen gegeven. In totaal gaat het In Noordoost Fryslân gerekend over alle accommodaties om circa 340.000 overnachtingen in een jaar. Grafiek 2.1 laat de verdeling zien van het totale aantal overnachtingen in Noordoost Fryslân opgesplitst naar de verblijfscategorieën in 2004.
De kampeersector neemt het grootste deel van het aantal overnachtingen voor zijn rekening namelijk 46,8%: respectievelijk 26,4% vaste standplaatsen en 20,4% toeristische standplaatsen. Voor de vaste ligplaatsen in de jachthavens geldt een percentage van 20,3% en de recreatiewoningen nemen 13,4% van de overnachtingen voor hun rekening.
Grafiek 2.2. laat het percentage overnachtingen van campings in Noordoost Fryslân zien uitgesplitst per gemeente. Duidelijk wordt dat bijna de helft (48,1%) van de overnachtingen plaatsvindt in de gemeente Kollumerland c.a.. De gemeenten Dantumadeel met 23,6% en Dongeradeel met 18,4% vertegenwoordigen samen bijna de andere helft van de overnachtingen. De gemeenten Ferwerderadiel en Achtkarspelen hebben met respectievelijk 6,6% en 3,2% een relatief klein aandeel in de overnachtingen op campings.
Kampeerbedrijven per gemeente
In tabel 2.2 wordt een overzicht gegeven van de verschillende kampeerterreinen binnen de NOFA+ gemeenten op dit moment. In totaal zijn er in Noordoost Fryslân 11 reguliere kampeerterreinen, 29 kleinschalige kampeerterreinen en is er een natuurkampeerterrein.
De meeste kampeerterreinen komen voor in de gemeenten Dantumadeel, Kollumerland c.a. en Dongeradeel.
Tabel 2.2 | Kampeerterreinen binnen de NOFA+ gemeenten, 2007
| ||||
Gemeente | Regulier kampeerterrein | Kleinschalig kampeerterrein | Natuur kampeerterrein | Totaal | |
Achtkarspelen | 1 | 3 | 0 | 4 | |
Dantumadeel | 2 | 11 | 0 | 13 | |
Dongeradeel | 4 | 5 | 0 | 9 | |
Ferwerderadiel | 1 | 3 | 0 | 4 | |
Kollumerland c.a. | 3 | 7 | 1 | 11 | |
Noordoost Fryslân | 11 | 29 | 1 | 41 | |
Bron: NOFA+ gemeenten | |||||
Tweederde van de kampeerbedrijven bestaat dus uit kleinschalige kampeerterreinen die in de regel 15 of minder kampeerplaatsen hebben. De grootste reguliere kampeerterreinen in de regio hebben elk rond de 100 kampeerplaatsen. Ter illustratie telt het gemiddelde kampeerterrein in de provincie Drenthe meer dan 300 kampeerplaatsen. Geconcludeerd kan worden dat de kampeerbedrijven in Noordoost Fryslân kleinschalig van aard zijn.
Aard en karakter kampeerbedrijven
Voor wat betreft de aard en het karakter van de kampeerterreinen In Noordoost Fryslân blijkt dat de reguliere kampeerterreinen in het Woudengebied hoofdzakelijk vaste standplaatsen bieden. Het betreft hier vooral terreinen met stacaravans waarvan de bezoekers in het kampeerseizoen weekends en gedurende de vakanties gebruik maken. De toeristische standplaatsen maken slechts een klein gedeelte uit van het totale kampeeraanbod van deze kampeerterreinen.
In tegenstelling tot het Woudengebied kennen de gemeenten Dongeradeel en Ferwerderadiel in het Kleigebied enkele reguliere kampeerterreinen met uitsluitend seizoens- of toeristische standplaatsen. Dit heeft zijn oorsprong in het karakter van het open kleigebied en het gemeentelijke beleid om dit zoveel mogelijk in stand te houden.
Op de kleinschalige kampeerterreinen zijn per definitie alleen toeristische en/of seizoensplaatsen toegestaan. De enkele geplaatste stacaravan of chalet op een dergelijk terrein mag uitsluitend voor toeristisch recreëren gebruikt worden. Deze campings vormen een belangrijk aanbod voor de recreanten die voor enkele weken dit gebied willen gaan bezoeken.
Werkgelegenheid toerisme
In tabel 2.3 en 2.4 is de ontwikkeling van de werkgelegenheid in de sector Recreatie en Toerisme per gemeente van de afgelopen jaren af te lezen. Voor de interpretatie van deze gegevens is het van belang om te weten dat Recreatie en Toerisme de volgende branches bevat: logies, horeca, cultuur & recreatie & sport en amusement, personenvervoer, reisorganisaties en reisbemiddeling, recreatiegoederen en overige detailhandel.
De recreatiesector bevat dus een breed scala aan bedrijfsactiviteiten die veel verder reikt dan de kampeerterreinen en de verblijfsaccommodaties.
Tabel 2.3 bevat een overzicht van de werkgelegenheidsontwikkeling voor wat betreft de banen van meer dan 15 uren per week (fulltime). De werkgelegenheid in de recreatie en toerisme is van 1999 t/m 2004 in Noordoost Fryslân met 13,4% gestegen naar in totaal 964 banen. De grootste stijging heeft zich in deze jaren voorgedaan in de gemeenten Dantumadeel en Ferwerderadiel.
Tabel 2.3 | Ontwikkeling werkgelegenheid recreatie en toerisme fulltime (15 + uren) Noordoost Fryslân
| |||||||
Gemeente | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2004 | 99 t/m 04 | |
Achtkarspelen | 292 | 313 | 312 | 331 | 358 | 342 | 17.1% | |
Dantumadeel | 121 | 126 | 134 | 136 | 144 | 153 | 26.4% | |
Dongeradeel | 271 | 284 | 266 | 277 | 274 | 285 | 5.2% | |
Ferwerderadiel | 36 | 34 | 39 | 41 | 41 | 45 | 25% | |
Kollumerland c.a. | 130 | 124 | 138 | 163 | 150 | 139 | 6.9% | |
Noordoost Fryslân | 850 | 881 | 889 | 948 | 967 | 964 | 13.4% | |
Bron: Provinsje Fryslân | ||||||||
Voor de parttime banen, oftewel banen van minder dan 15 uren, geldt in de regio in dezelfde periode een stijging van maar liefst 48,2% naar in totaal 719 banen! Duidelijk is dat in de recreatiesector parttime arbeid veelvoorkomend is gelet op de onregelmatige werktijden en de seizoensinvloed. De conclusie uit deze cijfers is dat de sector in Noordoost Fryslân een erg positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt.
Tabel 2.4 | Ontwikkeling werkgelegenheid recreatie toerisme parttime (15 - uren) Noordoost Fryslân
| |||||||
Gemeente | 1999 | 2000 | 2001 | 2002 | 2003 | 2004 | 99 t/m 04 | |
Achtkarspelen | 164 | 197 | 183 | 185 | 202 | 230 | 40.2% | |
Dantumadeel | 91 | 88 | 91 | 79 | 88 | 84 | -8.3% | |
Dongeradeel | 144 | 183 | 202 | 212 | 237 | 233 | 61.8% | |
Ferwerderadiel | 20 | 24 | 27 | 25 | 31 | 35 | 75% | |
Kollumerland c.a. | 66 | 82 | 128 | 114 | 106 | 137 | 107.6% | |
Noordoost Fryslân | 485 | 574 | 631 | 615 | 664 | 719 | 48.3% | |
Bron: Provinsje Fryslân | ||||||||
Tot slot
Uit de werkgelegenheidscijfers blijkt dat de recreatie en toerisme zich positief ontwikkelt in Noordoost Fryslân. Recreatie en toerisme is bij uitstek een sector waar een verdere groei van de werkgelegenheid in de toekomst mogelijk is. De recreatiesector is in beweging en er doen zich kansen voor in deze regio. Welke kansen dit zijn komt in de volgende hoofdstukken over het nieuwe beleid aan de orde. In het vervolg komen de reguliere kampeerterreinen, kleinschalige kampeerterreinen en het overig kamperen aan bod.
Beleid reguliere kampeerterreinen
Dit hoofdstuk gaat over het beleid ten aanzien van reguliere kampeerterreinen in Noordoost Fryslân. Op basis van de Wet op de Openluchtrecreatie (WOR) heeft een ondernemer voor het houden van een regulier kampeerterrein een vergunning van Burgemeester en Wethouders nodig. De vergunning kan slechts worden verleend indien het kampeerterrein als zodanig is bestemd in het bestemmingsplan. Voor het houden van een kleinschalig kampeerterrein is – mits niet strijdig met het bestemmingsplan – een vrijstelling of ontheffing mogelijk op grond van de WOR. Dit onderscheid tussen reguliere en kleinschalige kampeerterreinen komt met de intrekking van deze wet te vervallen.
In de nieuwe situatie wordt het bestemmingsplan bepalend voor de vestiging van een regulier of kleinschalig kampeerterrein. Een bestemmingsplan maakt onderscheid naar bedrijven met recreatie als hoofdactiviteit (regulier kampeerterrein) en als nevenactiviteit (kleinschalig kampeerterrein). Voor de reguliere kampeerterreinen verandert na de intrekking van de WOR qua bestemmingsplanregime feitelijk niets. Deze kampeerterreinen dienden al positief bestemd te zijn in de bestemmingsplannen van de gemeenten. Voor wat betreft het kleinschalig kamperen zijn de bestemmingsplannen straks leidend voor het antwoord op de vraag of een vestiging mogelijk is en welke voorwaarden hiervoor gelden.
Met de intrekking van de WOR vervalt het hierop gebaseerde vergunningstelsel en de gemeentelijke regelgeving. De voorwaarden en beperkingen voor een regulier kampeerterrein zoals deze eerder zijn vastgelegd in de gemeentelijke besluiten gelden straks niet meer. Het uitgangspunt is om voor zover noodzakelijk voorwaarden die ruimtelijk relevant zijn in de toekomst op te nemen in het bestemmingsplan. Indien wenselijk kan een gemeente ook aanvullend via een verordening of besluit nog steeds nadere eisen aan kampeerterreinen stellen. Dit laatste heeft echter hier niet de voorkeur gelet op de intentie om de regelgeving te beperken.
In dit hoofdstuk wordt het nieuwe beleid weergegeven voor de reguliere kampeerterreinen in Noordoost Fryslân. De belangrijkste onderwerpen die geregeld waren in de vergunning worden toegelicht en er wordt een keuze gemaakt voor de toekomstige situatie. Als eerste komt daarbij het beleid voor de eventueel nieuw te vestigen kampeerterreinen aan bod. Vervolgens wordt ingegaan op verschillende aspecten en de beleidskeuzes met betrekking tot het reguliere kampeerterrein.
Nieuwe kampeerterreinen
Voor de realisering van nieuwe grootschalige kampeerterreinen vormt het beleid van de provincie zoals neergelegd in het streekplan een belangrijk kader. In het streekplan “Om de kwaliteit fan de romte” van 2007 legt de provincie het accent op verbetering van de kwaliteit van het bestaande aanbod. Daarbij ziet zij ruimte voor uitbreiding van bestaande recreatieve bedrijven en voor nieuwe initiatieven tot en met het middelgrote segment. Bij kampeerterreinen is dan ruimte tot in ieder geval 200 standplaatsen, bij recreatiebungalow- en appartementencomplexen tot in ieder geval 50 verblijfseenheden. Nieuwe initiatieven zijn mogelijk bij de stedelijke en regionale centra en de recreatiekernen; uitbreiding van bestaande voorzieningen is ook daarbuiten mogelijk. In alle gevallen vraagt de provincie om een goede ruimtelijke en landschappelijke inpassing.
De provincie staat ook open voor nieuwe initiatieven in het landelijke gebied, wanneer aan aanvullende landschappelijke en natuurlijke randvoorwaarden kan worden voldaan. In dit geval zetten zij bij nieuwe initiatieven die het kleinschalige overstijgen primair in op een toevoeging van landschappelijke en natuurlijke elementen in een verhouding tussen het oppervlak aan nieuw recreatieareaal en het oppervlak aan nieuwe natuur- en landschapselementen (inclusief nieuw water als bijdrage aan de wateropgave) van minimaal 1:1.
Nabij de Nationale Parken wordt uitgegaan van een verhouding 1:3. Tevens zal de provincie er specifiek op letten of de schaal en omvang van een initiatief passen in de omgeving, ook gelet op de ontsluiting, en of het initiatief recreatieve kwaliteiten toevoegt in de regio. Bij deze initiatieven in het landelijk gebied geldt eveneens de voorwaarde om de provincie hier goed bij te betrekken. Voor wat betreft het ruimtelijke beleid in Fryslân ziet de provincie op voorhand vooral kansen in de omgeving van het Nationaal Park Lauwersmeer en de Noordelijke Friese Wouden en Zuidelijke Friese Wouden.
De huidige reguliere kampeerterreinen liggen ruimtelijk verspreid over Noordoost Fryslân. De meeste kampeerterreinen komen voor in het woudengebied, maar ook in het kleigebied zijn enkele te vinden. In de wouden gaat het om terreinen met hoofdzakelijk stacaravans en in mindere mate toeristische plaatsen. In het kleigebied komen daarentegen vooral kampeerterreinen voor waar juist stacaravans niet zijn toegestaan. Het is op deze kampeerterreinen alleen mogelijk om hier gedurende het kampeerseizoen met mobiele kampeermiddelen te staan. Dit heeft zijn oorsprong in het karakter van het open gebied en de wens om dit zoveel mogelijk te behouden. Stacaravans die gedurende het gehele jaar op een terrein mogen staan, gaan hier ten koste van.
Afbeelding 3.1 Kleigebied en Noordelijke Wouden, Streekplan Fryslân 2007
Voor het nieuwe beleid is het voorstel om het genoemde onderscheid tussen het besloten woudengebied en het open kleigebied te handhaven. Op grond van de kenmerken van het gebied valt te concluderen dat in met name het open kleigebied het niet wenselijk is om jaarrond te kamperen. Gedurende het winterseizoen dienen deze kampeerterreinen daarom leeg te zijn en vrij van kampeermiddelen. In dit verband zijn stacaravans gelet op het permanente karakter van deze kampeermiddelen hier niet toegestaan. Voor het woudengebied gelden ruimere regels daar de kampeerterreinen min of meer verscholen liggen in het landschap. Hier zijn stacaravans wel toegestaan en is het mogelijk om jaarrond te kamperen. Deze zonering sluit aan bij de bestaande situatie en doet recht aan het onderscheid tussen beide gebieden.
Voor het nieuwe kampeerbeleid is het uitgangspunt verder om de ontwikkeling van nieuwe reguliere kampeerterreinen op voorhand niet te veel beperken. Alleen in enkele kwetsbare gebieden en gebieden met een belangrijke natuurwaarde is het oprichten van een regulier kampeerterrein bij voorbaat uitgesloten. Het gaat hier om de EHS gebieden, de buitendijkse kwelders en de kleinere natuurgebieden in Noordoost Fryslân. In deze gebieden
Afbeelding 3.2 Natuurgebieden, Streekplan Fryslân 2007
is het op voorhand niet mogelijk om een regulier kampeerterrein op te richten. Voor de overige gebieden geldt dat in principe de vestiging van een kampeerterrein vanuit het kampeerbeleid mogelijk is. Het belangrijkste beoordelingscriterium is of ruimtelijk gezien hier medewerking aan kan worden verleend. Dit verschilt van geval tot geval, waarbij een beoordeling per situatie noodzakelijk is.
In geval van een nieuw initiatief beoordeelt de gemeente of het bestemmingsplan dit toelaat dan wel zij bereid is om mee te werken aan het wijzigen hiervan. In de regel is voor een nieuw kampeerterrein het volgen van een bestemmingsplanprocedure noodzakelijk. In de te volgen planologische procedure wordt aan alle ruimtelijke aspecten aandacht besteed zoals: landschap, bereikbaarheid, archeologie, milieu, ecologie, etc. In de procedure worden de verschillende ruimtelijke belangen afgewogen en is het mogelijk om zienswijzen in te dienen. Zodra de procedure is doorlopen en de nieuwe bestemming is vastgelegd, kan het kampeerterrein worden verwezenlijkt.
Bedrijfsmatige exploitatie
In de recreatiesector komt het verschijnsel van het uitponden van kampeerterreinen voor. Dit houdt in dat een bestaand recreatieterrein wordt opgedeeld in kavels die vervolgens afzonderlijk aan particulieren worden verkocht. Uitponden is een populaire manier om (verouderde) terreinen of bedrijven op een lucratieve wijze te verkopen. Door deze verkoop is er in de meeste gevallen niet langer sprake van een centrale exploitatie van het kampeerterrein. Het gaat hier om een ontwikkeling die leidt tot een versnipperd gebied en nadelig is voor de recreatie en toerisme. Bij uitponding kan bovendien verwarring ontstaan over aansprakelijkheid of verantwoordelijkheden en de controle bemoeilijken. De op deze wijze verkochte terreinen blijken bovendien gevoelig te zijn voor permanente bewoning. Al met al vinden de gemeenten het uitponden van standplaatsen geen wenselijke ontwikkeling die omwille van het toerisme voorkomen moet worden.
Gebleken is dat tot nog toe deze ontwikkeling zich in Noordoost Fryslân niet heeft voorgedaan, maar het is niet ondenkbeeldig dat dit ooit zal plaatsvinden. Om het uitponden derhalve tegen te gaan is het beleid om in het bestemmingsplan de “bedrijfsmatige exploitatie” van een kampeerterreinen verplicht te stellen. Onder de bedrijfsmatige exploitatie wordt verstaan het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer/exploitatie dat in de recreatieverblijven daadwerkelijk recreatief verblijf plaatsvindt. Het vereiste van bedrijfsmatige exploitatie is van belang voor het behoud van gronden met de bestemming verblijfsrecreatie en het helpen terugdringen of voorkomen van oneigenlijk gebruik van recreatiegronden.
Aantal kampeermiddelen
In de WOR is bepaald dat Burgemeester en Wethouders nadere voorschriften en beperkingen kunnen stellen aan de inrichting van kampeerterreinen. In de huidige vergunningen is het aantal standplaatsen voor kampeermiddelen op een terrein vastgelegd. De vraag is in hoeverre het wenselijk of noodzakelijk is om in de toekomst de capaciteit van een kampeerterrein in een bestemmingsplan vast te leggen. Het alternatief is namelijk om dit naar eigen inzicht aan de betreffende ondernemer op het kampeerterrein over te laten.
Duidelijk is dat voor elk regulier kampeerterrein een bestemmingsplan geldt met daarin op de plankaart de terreinen met een recreatieve bestemming. Binnen deze bestemming kan door middel van aanduidingen op de plankaart een nadere invulling worden gegeven. Bijvoorbeeld door de gebieden met jaarstandplaatsen, seizoenstandplaatsen en met centrumvoorzieningen van elkaar te onderscheiden.
Dit vindt dan plaats ten behoeve van de gewenste ruimtelijke inrichting van het kampeerterrein. Het bestemmingsplan vormt als het ware het kader waarbinnen de recreatieondernemer kan opereren.
Het idee is nu om binnen dit kader de ondernemer de nodige vrijheid te geven over hoe en op welke wijze deze het kampeerterrein wenst in te richten. Dit vanuit het motief om minder regels te stellen en om meer aan de markt c.q. de ondernemer over te laten. Dit maakt het mogelijk om flexibel te kunnen inspelen op een veranderende recreatiebehoefte. In dit kader is het uitgangspunt om in het bestemmingsplan geen gedetailleerde bepalingen meer op te nemen over de soort en het aantal standplaatsen op een terrein. Afhankelijk van het terrein geldt een bepaald maximum waarbinnen een ondernemer zijn plannen kan realiseren. De ondernemer kan dan zelf binnen de bestemming keuzes maken over de oppervlakte en situering van terreinen. De ondernemer dient natuurlijk hierbij de geldende regelgeving zoals de bouw- en brandveiligheidvoorschriften in acht te nemen.
Voor wat betreft de uitbreiding van bestaande kampeerterreinen is overeenkomstig het provinciaal beleid in ieder geval ruimte tot 200 standplaatsen. Zoals eerder geconstateerd, is de kampeersector in Noordoost Fryslân kleinschalig van aard in vergelijking tot de bedrijven in Drenthe. De grens van 200 standplaatsen biedt aan de huidige bedrijven met rond de 100 plaatsen voldoende ruimte om eventueel uit te breiden. Van belang voor de daadwerkelijke realisering is natuurlijk de ligging en locatie van het terrein en of er voldoende vraag naar is.
Soort kampeermiddelen
De huidige consument vraagt om steeds meer luxe ook waar het gaat om recreëren en kamperen. Ook speelt de beleving steeds meer een rol bij het recreëren en het verblijven op een camping. Recreatieondernemers spelen hier op in door het bieden van een hoogwaardig voorzieningen- en een dito serviceniveau. Maar ook qua accommodatie willen ze aan de groeiende vraag naar comfort voldoen. Zo verschijnen op de markt telkens weer nieuwe en modernere vormen van kampeermiddelen. Het nieuwe beleid wil op deze ontwikkeling inspelen en ondernemers de ruimte geven om aan deze vraag te voldoen. Dit sluit aan bij het provinciale beleid waar gesteld wordt dat er in Fryslân vooral behoefte is aan kwaliteitsverbetering en minder aan kwantitatieve groei. Hieronder valt onder meer de omzetting van bestaande standplaatsen voor kampeermiddelen in recreatiewoningen, waarbij aandacht gewenst is voor behoud van voldoende mogelijkheden voor betaalbare recreatie.
Het uitgangspunt is dat op kampeerterreinen waar op dit moment stacaravans mogelijk zijn het mogelijk wordt om deze te vervangen door chalets, blokhutten, trekkershutten of vergelijkbare vormen. Het gaat dan om kampeermiddelen die qua accommodatievorm en functie vergelijkbaar zijn met een stacaravan. Chalets en blokhutten etc. spelen in op de toerist die meer ruimte en comfort wenst dan de huidige stacaravans. Zo heeft een chalet een grotere oppervlakte en kent ook meer indelingsmogelijkheden dan de traditionele stacaravan. Trekkershutten voorzien in de behoefte van gezinnen met kinderen tot twaalf jaar, (rondtrekkende) jongeren en senioren. Deze nieuwe accommodatievormen bieden de ondernemer bij uitstek mogelijkheden om het kampeerseizoen te verlengen met de hierbij behorende opbrengsten. Al met al is met de modernere kampeermiddelen een vernieuwingsslag te maken en kan in een groeiende behoefte worden voorzien. Een ontwikkeling die de recreatie uiteindelijk ten goede komt.
Bij de nieuwe kampeermiddelen valt nog op te merken dat in sommige gevallen voor de plaatsing een bouwvergunning nodig is. Dit is afhankelijk van o.a. het type kampeermiddel, de constructie en de fundering. In de WOR is op dit moment een koppeling gelegd met de Woningwet die bepaald of een bouwvergunning noodzakelijk is. Een stacaravan is in principe een bouwwerk waarvoor een bouwvergunning nodig is, maar indien op de plaatsing de WOR van toepassing is dan geldt dit niet. Een stacaravan met een beperkte oppervlakte en een as/wielstelsel is op een als zodanig bestemd kampeerterrein niet bouwvergunningplichtig. In geval er sprake is van een fundering geldt in het algemeen dat een bouwvergunning noodzakelijk is.
Oppervlakte en afmeting
Zoals eerder gezegd vragen de toeristen steeds meer kwaliteit en comfort op het gebied van de recreatie. Er is in dit verband in de loop van de jaren een tendens naar grotere en ruimere verblijfsaccommodaties waar te nemen. Deze ontwikkeling heeft ook betrekking op de kampeermiddelen op de campings. Het doel is om tegemoet te komen aan deze ontwikkeling door ruimere mogelijkheden te bieden. In de volgende tabel is aangegeven welke maximale oppervlakte en afmetingen worden gehanteerd voor de te plaatsen kampeermiddelen.
Het betreffen eisen die aansluiten bij de huidige wet- en regelgeving en aan de ondernemers in de toekomst voldoende ruimte bieden voor ontwikkeling en vernieuwing.
Tabel 3.1 | Maximale oppervlakte en afmetingen | ||||||
Kampeermiddel | Oppervlakte | Hoogte | Breedte | Bijgebouw | As/wielstelsel | Bouwvergunning | |
Stacaravan | 55 | 3,40 | 4,50 | 9 m2 | Ja | Nee | |
Chalet | 70 | 3,90 |
| Nee | Nee | Ja | |
Trekkershut | 55 | 3,90 |
| Nee | Nee | Ja | |
Blokhut | 55 | 3,90 |
| Nee | Nee | Ja | |
Bron: NOFA+ gemeenten | |||||||
In de tabel is ook aangegeven of een bijgebouw mogelijk is, een as/wielstelsel verplicht is of dat een bouwvergunning noodzakelijk is. Op de huidige kampeerterreinen met vaste kampeermiddelen staan hoofdzakelijk stacaravans met een dissel en een as- en wielstelsel. Op grond van de WOR en de Woningwet is voor deze stacaravans geen bouwvergunning nodig. Gelijksoortige kampeermiddelen met een fundering in de grond zijn hier op grond van het bestemmingsplan niet toegestaan. Het beleid is om in de toekomst ook chalets toe te staan die een vaste fundering kennen. Voor deze middelen zal dan wel een bouwvergunning moeten worden aangevraagd. Uiteindelijk worden in het bestemmingsplan de voorwaarden en voorschriften vastgelegd die op het terrein van toepassing zijn.
Voor wat betreft de uiterlijke verschijningsvorm worden in dit beleid bewust geen richtlijnen gegeven voor het materiaalgebruik en de kleuren van de kampeermiddelen. Dit is in principe aan de ondernemer, maar in het kader van de welstand wordt dit ook bij de bouwvergunning beoordeeld. In het kader van het bestemmingsplan wordt natuurlijk wel aandacht besteed aan de aankleding en inrichting van het terrein. Het is nodig om een kampeerterrein goed in het landschap in te passen en hier aandacht aan te schenken.
Kampeerperiode
In de huidige vergunningen is voor de reguliere kampeerterreinen een kampeerperiode bepaald die loopt van 15 maart t/m 31 oktober. Dit is een keuze geweest van de gemeenten daar de WOR deze in principe vrij laat. Een gemeente kan zelf bepalen in welke periode zij het kamperen wil toestaan.
Een belangrijke reden om het kamperen gedurende het gehele jaar mogelijk te maken, is het argument van seizoensverlenging en het verbeteren van de exploitatie. Zo valt te denken aan de toenemende vergrijzing, waardoor een groeiende vraag ontstaat om ook buiten het vakantieseizoen te kunnen kamperen. In dit verband maken ook de verbeterde recreatieverblijven een verblijf buiten het seizoen aantrekkelijker. Aan de andere kant is het kamperen natuurlijk een erg weersafhankelijke activiteit en biedt de kampeerperiode in de regel voldoende ruimte aan de ondernemingen. Ook is het tegengaan van permanente bewoning een punt daar een mogelijke seizoensverlenging dit in de hand kan werken.
De vraag resteert in hoeverre de overheid de kampeerperiode moet regelen dan wel aan de markt dient over te laten. Het is van belang de ondernemer die ruimte te bieden waarbinnen een gezonde exploitatie van het kampeerbedrijf mogelijk wordt gemaakt. Hijzelf kan het beste bepalen in hoeverre het aantrekkelijk is om gedurende het gehele jaar of een beperktere periode open te zijn. Vanuit dit oogpunt is het beleid om de kampeerperiode voor reguliere kampeerterreinen vrij te laten en het kamperen op deze terreinen gedurende het gehele jaar toe te staan. Let wel permanente bewoning is nadrukkelijk niet toegestaan en moet te allen tijde worden bestreden. Dit beleid geldt uitsluitend voor de kampeerterreinen waarop stacaravans en andere vaste kampeermiddelen zijn toegestaan.
In het open kleigebied zijn zoals eerder bepaald geen vaste kampeermiddelen toegestaan en zal derhalve voor de kampeerterreinen de kampeerperiode blijven gelden.
Landschappelijke inpassing
In de WOR is bepaald dat het College van Burgemeester en Wethouders nadere voorschriften en beperkingen kunnen stellen aan de inrichting van kampeerterreinen. In de verschillende regelgeving is bepaald dat ondernemers een beplantingsplan voor het kampeerterrein moeten indienen. Op deze manier is gewaarborgd dat het kampeerterrein landschappelijk in de omgeving wordt ingepast. Voor de reguliere kampeerterreinen waarvoor een bestemmingsplan geldt is deze beplanting veelal opgenomen op de plankaart en in de voorschriften. Duidelijk is dat een goede landschappelijke inpassing van groot belang is voor het behoud van een aantrekkelijk toeristisch gebied. De reguliere kampeerterreinen komen voor in het buitengebied dat erg bepalend is voor de beleving van de inwoners en de toeristen.
Natuurlijk is de landschappelijke inpassing en de randvoorwaarden die hieraan gesteld worden afhankelijk van de situering en de kenmerken van het betreffende gebied. Denk hierbij aan het onderscheid tussen het woudengebied, het veengebied en het kleigebied. De uiteindelijk te realiseren beplanting is dus een vorm van maatwerk dat per situatie beoordeeld dient te worden indien mogelijk aan de hand van een landschapstoets. Gelet op het voorgaande is het van belang om de landschappelijke inpassing van kampeerterreinen in de toekomst goed te regelen. Het voorstel is dan ook om de landschappelijke inpassing (in veel gevallen een passende afschermende beplanting) voor het kampeerterrein verplicht te stellen. De beplanting dient als groenstrook op de plankaart van het bijbehorende bestemmingsplan te zijn aangegeven. De verplichting zal gelden om in geval van een bestaande camping of bij het vestigen van een nieuwe deze beplanting daadwerkelijk te realiseren. Ten aanzien van het landschap zal voor de beplantingsranden gebiedseigen soorten moeten worden gebruikt.
Kleinschalige kampeerterreinen
De WOR maakt het mogelijk om kleinschalige kampeerterreinen te realiseren op locaties waar het bestemmingsplan zich hier niet tegen verzet. Veelal gaat het om gronden met een agrarische bestemming of een woonbestemming in het buitengebied. Op deze kleinschalige kampeerterreinen mogen in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober maximaal 15 kampeermiddelen aanwezig zijn. Op basis van de WOR heeft men op dit moment voor het houden van een kleinschalig kampeerterrein een ontheffing van het College van Burgemeester en Wethouders nodig. Zij zijn tevens bevoegd om hieraan voorwaarden en beperkingen te verbinden. Dit is o.a. om te voorkomen dat het kleinschalig kamperen op locaties of in gebieden plaatsvindt waar dit ongepast is, maar ook om aspecten als aankleding, veiligheid, parkeren, etc. te regelen.
Gemeenten hebben in het “Besluit op de openluchtrecreatie” het beleid voor wat betreft het kleinschalig kamperen opgenomen. Ook zijn in sommige gevallen in het bestemmingsplan Buitengebied voorschriften gegeven omtrent het toelaten van kleinschalig kamperen. Met het verdwijnen van de WOR vervalt de huidige regelgeving en de verleende vrijstellingen en ontheffingen. Het is de bedoeling om de voorwaarden, beperkingen en voorschriften die ruimtelijk relevant zijn voortaan op te nemen in het bestemmingsplan. Op grond van het bestemmingsplan kan al dan niet medewerking worden verleend aan een kleinschalig kampeerterrein. In dit hoofdstuk zullen de belangrijkste onderwerpen die geregeld waren in het gemeentelijke besluit en de ontheffing worden toegelicht en zal een keuze worden gemaakt voor de toekomstige situatie.
Nieuwe kleinschalige kampeerterreinen
Het beleid van de NOFA+ gemeenten is op dit moment dat kleinschalige kampeerterreinen overal zijn toegestaan mits het bestemmingsplan zich hier niet tegen verzet. In de praktijk betekent dit dat met uitzondering van de dorpskernen en de natuurgebieden kleinschalig kamperen in beginsel overal mogelijk is. In enkele gevallen zijn wel kleinschalige kampeerterreinen in dorpskernen gerealiseerd, maar deze zijn dan expliciet in het bestemmingsplan opgenomen. Kleinschalig kamperen is toegestaan op gronden bij (voormalige) agrarische gebouwen of bij woningen in het buitengebied. Bij deze laatste gelden echter wel voorwaarden in de vorm van een minimale perceeloppervlakte en afstandscriteria tot aangrenzende woonpercelen.
Van belang voor het nieuwe beleid is hetgeen hieromtrent opgenomen in het streekplan 2007 van de provincie Fryslân. In het streekplan is het volgende kader gegeven voor het toelaten van kleinschalige kampeerterreinen. Kleinschalige kampeervoorzieningen tot 15 verblijfseenheden zijn buiten de natuurgebieden in de hele provincie mogelijk. Met het vervallen van de Wet op de Openluchtrecreatie (WOR) kan deze bovengrens van 15 verblijfseenheden worden verruimd tot 25, onder de voorwaarden dat:
het kampeervoorzieningen betreft bij (voormalige) agrarische gebouwen; en
de gemeente de openstelling beperkt tot het toeristisch seizoen en vaste kampeermiddelen (zoals stacaravans) uitsluit; en
de gemeente het aantal gevallen beperkt, dan wel op haar grondgebied specifieke zones of plaatsen aangeeft waar verruiming mogelijk is.
Het beleid van de provincie houdt in dat extra ruimte wordt gegeven aan deze vorm van kamperen. Concreet betekent het dat kleinschalig kamperen in Noordoost Fryslân overal mogelijk is met uitzondering van de natuurgebieden.
Onder natuurgebieden wordt hier verstaan de EHS gebieden, het Nationaal Park Lauwersmeer, de buitendijkse kwelders en de kleinere natuurgebieden. Bij (voormalige) agrarische gebouwen is onder een aantal voorwaarden een verruiming mogelijk van het aantal plaatsen naar 25.
De achtergrond van deze verruiming is dat kleinschalige verblijfsrecreatieve voorzieningen een belangrijke basis vormen voor plattelands-, cultuur- en natuurtoerisme. Ook leveren deze voorzieningen een belangrijke bijdrage aan de versterking van de recreatieve netwerken. De provincie constateert dat er in het kleinschalige segment een druk tot schaalvergroting aanwezig is. Zij vindt dat gemeenten daar selectief in mee kunnen bewegen, maar niet onbeperkt. Enerzijds omdat er grote risico’s aanwezig zijn voor aantasting van de ruimtelijke kwaliteiten indien die verruiming breed wordt toegepast, anderzijds omdat er een duidelijk onderscheid moet blijven met de meer grootschalige reguliere verblijfsvormen en verdringing wordt tegengegaan.
Omdat recreatie en toerisme belangrijke economische en maatschappelijke factoren zijn in Fryslân moet er zoveel mogelijk ruimte worden gegeven aan recreatieondernemers. Het uitgangspunt is dan ook dat nieuwe kleinschalige kampeervoorzieningen buiten de natuurgebieden overal mogelijk zijn. De kleinschalige kampeerterreinen nemen in het gehele aanbod aan verblijfsrecreatie een eigen plaats in die in een zekere behoefte voorzien. Het kleinschalig kamperen binnen een natuurgebied acht de provincie evenals de NOFA+ gemeenten niet wenselijk. Het gaat hier om de EHS gebieden, het Nationaal Park Lauwersmeer, de buitendijkse kwelders en de kleinere natuurgebieden in Noordoost Fryslân.
Er wordt namelijk gestreefd naar goede ruimtelijke condities voor instandhouding en ontwikkeling van de belangrijke natuurlijke kwaliteiten en waarden in Fryslân.
Bestemming van kampeerterreinen
In de voormalige Kampeerwet, de voorganger van de WOR, was het kleinschalig kamperen alleen toegestaan bij agrarische bedrijven. In de WOR is deze koppeling bewust losgelaten teneinde meer ruimte te bieden aan deze vorm van kamperen. In het recreatiebeleid van de gemeenten wordt geen onderscheid gemaakt tussen agrarische bestemming en woonbestemming ten aanzien van kleinschalig kamperen. Indien voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden kunnen in beide gevallen een kleinschalig kampeerterrein worden gehouden. Dit sluit aan bij de wens om het aanbod van extensieve kampeervormen te vergroten. Alsmede de mogelijkheid voor het genereren van een extra inkomstenbron ook voor andere mensen mogelijk te maken.
In Noordoost Fryslân heeft de loskoppeling van de agrarische bedrijfsvoering aan het kleinschalig kamperen niet gezorgd voor de gevreesde wildgroei. Hoewel in sommige gemeenten wel een beperking geldt is het maximum aantal in deze jaren nooit bereikt. In de regio bevinden zich 29 kleinschalige kampeerterreinen, waarvan een klein deel zich bevindt bij een actief boerenbedrijf. Gezien de huidige ontwikkelingen in de agrarische sector en het uitblijven van de gevreesde wildgroei, is het wenselijk het bestaande beleid te continueren. Zo kan optimaal gebruik worden gemaakt van de kansen die het gebied heeft.
Voor het oprichten van een kleinschalig kampeerterrein in het buitengebied wordt een ontheffingsbepaling in het bestemmingsplan opgenomen. Op grond van het bestemmingsplan kan een ondernemer dan ontheffing krijgen voor het oprichten van een kleinschalig kampeerterrein. Het kleinschalig kamperen is dan een vorm van medegebruik van de betreffende agrarische of woonbestemming. Het is zeker nodig om voor het verlenen van ontheffing een aantal voorwaarden op te nemen, teneinde de ruimtelijke kwaliteiten en het landschap ook voor de toekomst te behouden.
Het gaat hier o.a. om zaken als de benodigde oppervlakte, het parkeren op eigen terrein en de aankleding van het terrein. Op deze wijze wordt de ruimtelijke inpasbaarheid net als bij andere functies getoetst.
Het vestigen van een kleinschalig kampeerterrein in een dorpskern geeft veelal een goede impuls aan de lokale economie en kan daarom eveneens aantrekkelijk zijn. Bezoekers kunnen gemakkelijk van de camping het dorp in om boodschappen te doen of te winkelen. Het nadeel aan een kampeerterrein in het dorp kan zijn het grotere risico op overlast voor omwonenden gelet op de dichtere bebouwing. Aan de andere kant is door de afstandseisen en andere criteria die gelden voor een kleinschalig kampeerterrein dit probleem al min of meer opgelost. Om een geschikte locatie binnen de bebouwde kom toch te kunnen benutten, kan dezelfde procedure worden gevolgd als voor de gebieden buiten de bebouwde kom. Voor het oprichten van een kleinschalig kampeerterrein in de bebouwde kom wordt een ontheffingsbepaling in de bestemmingsplannen voor de dorpskernen opgenomen. Het volgen van een zwaardere planologische procedure is gelet op de bestaande eisen en de hiermee gepaard gaande kosten niet nodig.
Norm voor kampeerplekken
Vanuit de verschillende brancheorganisaties speelt een discussie over de te hanteren maatstaf (eenheid) voor het plaatsen van kampeermiddelen op kampeerterreinen. Het gaat om het onderscheid tussen het begrip kampeermiddelen en kampeerplaatsen. De term kampeermiddelen duidt op een telbaar aantal kampeermiddelen op een terrein, terwijl bij kampeerplaatsen het gaat om een kampeerplek waarop enkele kampeermiddelen kunnen staan. Het gaat hier dan veelal om een tent of caravan al dan niet met een bijzettentje.
Vanuit de Vereniging van Kampeerboeren Nederland (Vekabo) en de Stichting Vrije Recreatie (SVR) -welke de belangen van recreatieondernemers met kleinschalige kampeerterreinen behartigen- wordt gepleit voor een formulering in termen van ‘kampeerplaatsen’. Het definiëren in termen van kampeerplaatsen doet volgens deze organisaties meer recht aan de huidige situatie waarin veelal gebruik wordt gemaakt van bijzettentjes bij het hoofdkampeermiddel. De RECRON -welke de belangen van recreatieondernemers met reguliere kampeerterreinen behartigd- pleit juist voor de formulering van de term ‘kampeermiddelen’. Dit om het kampeeraanbod van de kleinschalige kampeerterreinen binnen de perken te houden.
Teneinde ruimte te bieden aan kleinschalige kampeerterreinen en rekening te houden met de behoefte van kampeerders is het voorstel om in het beleid te spreken van kampeerplaatsen. Het plaatsen van één hoofdkampeermiddel, met daarbij een aantal bijzettentjes op een kampeerplaats, geeft de recreatieondernemer ruimte om op de vraag en behoefte in te spelen. Dit komt overeen met de mening van de ondernemers uit de regio die in het kader van dit beleid zijn gesproken. Een kampeerplaats is bestemd voor één hoofdkampeermiddel waarbij het plaatsen van een bijzettentje (veelal voor kinderen) is toegestaan. Het voordeel bij het hanteren van de term “kampeerplaatsen” is tevens dat het aantal kampeerplaatsen op een kampeerterrein vaak een vast gegeven is doordat deze vaak zijn genummerd en er veelal een afscheidende beplanting tussen de plaatsen aanwezig is.
Het toelaten van meerdere kampeermiddelen op één kampeerplaats zal invloed hebben op de kwaliteitsperceptie van het kampeerterrein. Het is dan ook aan de recreatieondernemer om hierin een keuze te maken in het belang van zijn camping. Bij het hanteren van de term “kampeerplaatsen” zou de gemeente ook aan kunnen geven hoeveel kampeermiddelen er op een kampeerplaats mogen worden neergezet. Vanuit de gedachte van deregulering wordt dit echter aan de recreatieondernemer overgelaten.
Aantal kampeerplaatsen
Op basis van de WOR is het mogelijk maximaal 15 kampeermiddelen te plaatsen op een kleinschalig kampeerterrein. Dit is ook voor de NOFA+ gemeenten vastgelegd in de gemeentelijke besluiten. De reden heeft te maken met aard en karakter van het kleinschalig kamperen. Het gaat om een vorm van medegebruik en om kleinschalige activiteiten. In Kollumerland c.a. wordt op basis van een proef sinds een aantal jaren op twee kampeerterreinen 25 kampeerplaatsen toegestaan. Uit de recreatiesector blijkt namelijk dat er behoefte is aan meer ruimte op de kleinschalige kampeerterreinen.
Uit de bedrijfsbezoeken aan de recreatieondernemers komt deze behoefte ook naar voren. Gedurende het seizoen komt het regelmatig voor dat kleinschalige kampeerterreinen vol zitten en dat recreatieondernemers hun klanten “nee” moeten verkopen. Dit als gevolg van het hoogseizoen of als gevolg van bijzondere activiteiten in de regio die veel toeristen trekken, zoals bijvoorbeeld een fiets- of een wandelevenement. Daar komt bij dat het kampeerseizoen in Nederland in hoge mate afhankelijk is van de weersomstandigheden, waarbij bij mooi weer een grote vraag ontstaat naar kampeerplaatsen. Tevens is er bij het toeristische kamperen geen sprake van een gelijkmatige bezetting over de gehele kampeerperiode gelet op de afhankelijkheid van de vakantieperiodes.
Vanuit de belangenverenigingen voor deze recreatieondernemers zoals de SVR en de VeKaBo wordt aangedrongen om in de nieuwe situatie het aantal toe te laten kampeerplaatsen op kleinschalige kampeerterreinen te verruimen. Zij zijn van mening dat met deze verruiming de kleinschaligheid behouden blijft, maar het economische rendement zodanig toeneemt dat dit de recreatieondernemers de gewenste financiële armslag geeft om te kunnen investeren in de kwaliteitsverbetering van het kampeerproduct. Zo pleit in dit verband de VeKaBo voor een uitbreiding naar minimaal 25 en maximaal 40 kampeerplaatsen. Brancheorganisatie RECRON is echter tegen een dergelijke verruiming vanwege de oneerlijke concurrentie die ten opzichte van de reguliere kampeerterreinen zou kunnen ontstaan. Bij een verruiming van de bovengrens wordt het capaciteitsverschil met reguliere kampeerterreinen kleiner en bestaat het risico dat de kenmerkende verschillen tussen de twee kampeervormen vervagen.
Wat dit laatste punt betreft valt te constateren dat dit in Noordoost Fryslân enig nuancering vraagt. Eerder bleek dat de reguliere kampeerterreinen in de regio vooral jaarstandplaatsen bieden met daarop stacaravans. Bij kleinschalige kampeerterreinen daarentegen gaat het vaak om toeristisch kamperen gedurende een kortere periode. Dit betekent dat de aard en karakter van het kamperen wezenlijk anders is vergeleken met de grotere reguliere terreinen. Van concurrentie zal in dit verband dan ook minder sprake zijn dan in eerste instantie lijkt.
Het uitbreiden van de ruimte voor kleinschalige kampeerterreinen past binnen de RegioVisie van Noordoost Friesland waar versterking van de recreatiesector een speerpunt is. De vraag is echter wat zijn de mogelijkheden en waar ligt de grens? Voor de beantwoording hiervan is het provinciaal ruimtelijk beleid een belangrijke bepalende factor gelet op de beleidregels die zij geeft voor bestemmingsplannen. De provincie Fryslân geeft in haar streekplan aan hoe zij staat ten opzichte van het verruimen van de bovengrens van 15 naar 25 kampeerplaatsen. Zij stellen dat dit onder de volgende voorwaarden mogelijk is:
“het kampeervoorzieningen betreft bij (voormalige) agrarische gebouwen; en
de gemeente de openstelling beperkt tot het toeristisch seizoen en vaste kampeermiddelen (zoals stacaravans) uitsluit; en
de gemeente het aantal gevallen beperkt, dan wel op haar grondgebied specifieke zones of plaatsen aangeeft waar verruiming mogelijk is.”
De provincie vindt het van belang dat het aantal kleinschalige kampeerterreinen -met een verruiming tot 25 kampeerplaatsen- door de gemeenten wordt beperkt. Deze beperking kan plaatsvinden door het aantal gevallen te beperken of op het grondgebied specifieke zones of plaatsen aan te geven waar verruiming mogelijk is. Ook vraagt de provincie om de openstelling te beperken tot het toeristische seizoen en dat gemeenten vaste kampeermiddelen uitsluiten. Daarnaast zou de verruiming alleen gelden voor (voormalige) agrarische gebouwen.
De gemeenten willen met hun beleid voor het aantal kampeerplaatsen in beginsel aansluiten bij de provinciale uitgangspunten. Het beleid is dat op kleinschalige kampeerterreinen een verruiming van het aantal kampeerplaatsen naar 25 mogelijk is bij (voormalige) agrarische gebouwen. Deze uitbreiding is ook mogelijk bij overige objecten zoals woningen, mits goed gemotiveerd en voldoend aan de criteria zoals opgenomen in dit beleidsplan. Het gaat dan om de voorwaarden in de vorm van een minimale perceelsoppervlakte, landschappelijke inpassing, het parkeren op eigen terrein, een goede ontsluiting etc.
In onze regio zijn onder het oude regime van de WOR ook kleinschalige kampeerterreinen bij woningen gerealiseerd. De huidige bestemmingsplannen verzetten zich evenmin hiertegen.
De uitbreiding bij woningen is mogelijk omdat in deze gevallen voldoende ruimte aanwezig kan zijn om een uitbreiding te realiseren. Hoewel het in de praktijk veelal zal gaan om kampeervoorzieningen bij (voormalige) agrarische gebouwen, zien wij met de gehanteerde voorwaarden ook uitbreidingsmogelijkheden en willen wij hier ook kansen bieden. Het aantal van 25 biedt ruimte aan de behoefte van kleinschalige kampeerterreinen om te groeien zonder ten koste te gaan van de ruimtelijke kwaliteit en het landschap.
De eerdere bepalingen in het streekplan over het aantal kampeerplaatsen betreffen richtinggevende uitspraken. Dit betekent dat de gemeenten in hun beleid enige ruimte hebben om hiervan gemotiveerd af te wijken. Ruimte die de gemeenten in Noordoost Friesland op dit punt graag willen benutten. In de volgende paragrafen wordt afzonderlijk nog aandacht besteed aan de andere voorwaarden die de provincie stelt aan een uitbreiding naar 25 plaatsen. Dit heeft betrekking op de vaste kampeermiddelen, de kampeerperiode en de zonering.
Soort kampeermiddelen
Binnen de WOR bestaat de mogelijkheid om op kleinschalige kampeerterreinen vaste kampeermiddelen zoals stacaravans te plaatsen. In de NOFA+ gemeenten is het plaatsen van vaste kampeermiddelen op kleinschalige kampeerterreinen echter uitgesloten. Kollumerland heeft in haar recente beleid wel de ruimte gegeven om per kampeerterrein maximaal 20% van de kampeerplaatsen te bezetten met vaste kampeermiddelen. Deze vorm biedt ondernemers de mogelijkheid hun aanbod te verbreden en in te spelen op de vraag die hierna bestaat. Wel moet het hier gaan om een accommodatie voor het toeristisch kamperen en niet om het bieden van een jaarstandplaats. Dit biedt tevens de mogelijkheid om het kampeerseizoen te verlengen over het gehele jaar.
Zoals uit de vorige paragraaf duidelijk is geworden, wordt het toelaten van vaste kampeermiddelen niet wenselijk geacht door de provincie. Indien deze aanwezig zijn zou geen uitbreiding plaats kunnen vinden naar een aantal van 25 kampeerplaatsen. De achtergrond hiervan is dat de vaste kampeermiddelen ten koste zou gaan van de ruimtelijke kwaliteit van het gebied. Wat betreft de verhouding met het aanbod op de reguliere kampeerterreinen, blijkt dat in deze regio het bij de vaste kampeermiddelen met name gaat om jaarstandplaatsen. Deze stacaravans worden hoofdzakelijk door een gezin of familie gebruikt en zijn aldus niet beschikbaar voor het toeristisch kamperen.
Het toevoegen van dit aanbod op kleinschalige kampeerterreinen voor het toeristisch kamperen voegt derhalve zeker iets toe. Dit sluit tevens aan op de doelstelling om een grotere verscheidenheid te realiseren in het toeristische aanbod.
Uit het overleg binnen de NOFA+ gemeenten blijkt echter het toelaten van vaste kampeermiddelen niet helemaal eenduidig te liggen. Sommige gemeenten zien hierin de voordelen, terwijl voor andere het niet wenselijk is of de nadelen overheersen. De vraag is in hoeverre de vaste kampeermiddelen passen binnen het karakter van het kleinschalig kamperen en het nevengebruik. Ook de permanente aanwezigheid van vaste kampeermiddelen heeft invloed op het ruimtelijke beeld. Aan de andere kant biedt dit zeker kansen en speelt het in op een behoefte van de markt. Uit de bedrijfsbezoeken blijkt ook dat recreatieondernemers veelal vragen naar de mogelijkheden hiervan. Dit om hun aanbod te versterken en om hun inkomsten te verbeteren.
Gelet op de voorgaande overwegingen is het beleid om vaste kampeermiddelen op kleinschalige kampeerterreinen onder een aantal voorwaarden mogelijk te maken in het woudengebied. De gemeenten Kollumerland c.a. en Ferwerderadiel willen vaste kampeermiddelen op kleinschalige kampeerterreinen in het kleigebied ook toestaan, mits er een goede landschappelijke inpassing is (goed te keuren door de gemeenten). Het doel van deze gemeenten is om hetzelfde beleid te hanteren dat geldt voor de zandgronden en om de recreatieve sector zoveel mogelijk een stimulans te geven.
Omwille van een goede ruimtelijke afweging kan het plaatsen van vaste kampeermiddelen uitsluitend met het volgen van een bestemmingsplanprocedure en niet door middel van een ontheffingsbepaling. Gelet op de invloed van de vaste kampeermiddelen op de omgeving en het landschap rechtvaardigt dit een uitgebreidere planologische procedure waarbij alle belangen beter gewogen kunnen worden. Dit betekent dat het terrein uiteindelijk een recreatieve (neven)bestemming krijgt en het kleinschalige karakter deels verdwijnt. Voor de toepassing van dit beleid geldt verder dat op een kleinschalig kampeerterrein maximaal 20% van de kampeerplaatsen uit vaste kampeermiddelen mogen bestaan. Bovendien mogen deze vaste kampeermiddelen uitsluitend worden gebruikt voor toeristisch kamperen. Teneinde de inpassing van de vaste kampeermiddelen te waarborgen kunnen gemeenten voorschriften opnemen omtrent de vorm, oppervlakte, de hoogte, het materiaalgebruik, de kleurstelling etc. Dit zal expliciet een rol spelen bij de behandeling van een aanvraag om vaste kampeermiddelen te mogen plaatsen.
Vaststelling van de kampeerperiode
De WOR laat de kampeerperiode voor het kleinschalige kamperen geheel vrij, wat betekent dat het hele jaar rond gekampeerd kan worden. In de NOFA+ gemeenten is echter vastgesteld dat het kleinschalig kamperen alleen is toegestaan in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober. In de periode van 1 november tot en met 14 maart mogen derhalve geen kampeermiddelen op het kleinschalige kampeerterrein aanwezig zijn.
Omdat het kleinschalig kamperen een vorm is van medegebruik, past hierin eigenlijk niet een jaarronde bezetting. Ook ontstaat min of meer het karakter van een regulier kampeerterrein als op een kleinschalig kampeerterrein gedurende het hele jaar kampeermiddelen mogen worden gehouden. Daarnaast onderscheiden terreinen voor kleinschalig kamperen zich ook duidelijk in landschappelijk opzicht met de reguliere terreinen. Uit de bedrijfsbezoeken blijkt dat er eigenlijk ook geen behoefte is om hier buiten de kampeerperiode om te staan. Het voorstel is derhalve om vast te houden aan de kampeerperiode van 15 maart tot en met 31 oktober en dit te laten opnemen in het bestemmingsplan.
Aandachtspunt hierbij vormt nog wel de aanwezigheid van vaste kampeermiddelen op kleinschalige kampeerterreinen. Voor deze middelen is het een voordeel om deze jaarrond aan te bieden. Gelet op het comfort dat zij bieden is hier ook in een winterperiode een markt voor. Daarbij komt dat hierdoor een betere bezetting kan worden verkregen die de investering en exploitatie ten goede komt. Al met al is bij het toelaten van vaste kampeermiddelen het voorstel om de kampeerperiode voor deze middelen los te laten. Vaste kampeermiddelen kunnen ten behoeve van recreatief nachtverblijf jaarrond worden gebruikt. Zoals eerder is aangegeven, is voor de toelating van vaste kampeermiddelen een recreatieve (neven)bestemming nodig. Het loslaten van de kampeerperiode is hiermee in overeenstemming.
Situering en oppervlakte kampeerterrein
In de WOR is het kleinschalig kamperen niet gekoppeld aan een bouwperceel. Dit betekent dat in principe de locatie voor de te plaatsen kampeermiddelen vrij is te laten. Om te voorkomen dat er overal in het buitengebied gekampeerd zou kunnen worden, is door de gemeenten een beperking opgelegd. Het kleinschalige kampeerterrein dient ruimtelijk gezien een verbinding te hebben met de bestaande bebouwing. Bovendien gelden er eisen voor de benodigde oppervlakte om een kampeerterrein te kunnen houden. Op het terrein moet voldoende ruimte zijn voor de plaatsing van kampeermiddelen, het bieden van parkeermogelijkheden, het aanbrengen van beplanting, het realiseren van een speelveld en recreatieve voorzieningen.
Het perceel waarop het kampeerterrein zal worden gevestigd dient aangrenzend te zijn aan de bestaande bebouwing. Daarbij geldt niet de voorwaarde dat het formeel deel uitmaakt van het betreffende erf of de bouwkavel. Vaak blijkt de keuze voor de situering van het kleinschalige kampeerterrein een logische te zijn. Het beleid is om een ondernemer de vrijheid te geven om aansluitend aan zijn bouwperceel de meest geschikte locatie als kampeerterrein in te richten. Het voorstel is om te bepalen dat een kleinschalig kampeerterrein voor wat betreft de ligging direct moet aansluiten op de bestaande woonbebouwing.
Het uitgangspunt is dat voor het oprichten en houden van een kleinschalig kampeerterrein voldoende ruimte aanwezig is. Bij grondgebonden agrarische bedrijven zal dit veelal geen problemen opleveren, maar voor woonpercelen kan dit een beperking zijn. Het beleid is dat de totale oppervlakte van het betreffende perceel minimaal 0,5 hectare groot dient te zijn in geval van 15 kampeerplaatsen en minimaal 0,75 hectare in geval van 25 kampeerplaatsen. Deze minimale oppervlakte biedt naast de ruimte voor de inrichting van het kampeerterrein een bepaalde garantie voor de instandhouding van de openheid van het landschap.
Afstandsnormen en zonering kampeerterrein
Een belangrijke norm die voor een kleinschalig kampeerterrein geldt is de vereiste afstand met de aangrenzende bebouwing. Dit om te voorkomen dat buren overlast of hinder ondervinden van de vestiging van een kleinschalig kampeerterrein. Op grond van de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering geldt voor een regulier kampeerterrein een richtlijn van 50 meter (afstand aan te houden tot kwetsbare functies). Het gaat hier om een richtlijn die geldt voor een gemiddelde camping met alle gebruikelijke voorzieningen. Duidelijk is dat een kleinschalig kampeerterrein in vergelijking tot een gemiddelde camping eenvoudiger en beperkter van opzet is. Verdedigbaar zou zijn om in geval van een kleinschalig kampeerterrein met een beperkt aantal kampeerplaatsen een afstand te hanteren van 30 meter tot een kwetsbare functie.
Aan de andere kant geldt het belang van omwonenden en is het zaak om te voorkomen dat buren onevenredig overlast of hinder ondervinden van de vestiging van een kleinschalig kampeerterrein. In hoeverre dit zich zal voordoen is afhankelijk van de specifieke situatie en omstandigheden. Als richtlijn voor de afstand van het kleinschalig kampeerterrein tot de gevel van de dichtstbijzijnde woning wordt in principe minimaal 50 meter aangehouden, maar hiervan kan door de gemeente gemotiveerd worden afgeweken. Maatwerk is dus mogelijk.
Een andere norm die vanouds door gemeenten wordt gehanteerd is een afstandsnorm tussen kampeervoorzieningen onderling om cumulatie van kampeerterreinen te voorkomen. Een kleinschalig kampeerterrein kan dan alleen opgericht worden indien binnen een afstand van 500 meter geen ander regulier of kleinschalig kampeerterrein aanwezig is. Vergelijkbaar wordt om wildgroei van kampeerterreinen te voorkomen ook wel een maximum gesteld aan het aantal kleinschalige kampeerterreinen in een gebied. De afgelopen jaren hebben echter uitgewezen dat het aantal kleinschalige kampeerterreinen in Noordoost Friesland beperkt is gebleven. Van een wildgroei is geen sprake gebleken en de gestelde grenzen aan het aantal zijn nooit bereikt. Het starten van een camping is blijkbaar niet iets dat voor veel mensen is weggelegd, maar ook gelet op de voorwaarden die gelden.
De vraag resteert dan nog in hoeverre het noodzakelijk is om aan afstandscriterium vast te houden. Het kan betekenen dat op misschien een hele goede locatie geen kampeerterrein mogelijk is enkel vanwege het feit dat reeds binnen 500 meter een ander terrein is gevestigd. De regel is ook negatief voor de wens om de recreatie en toerisme in dit gebied verder te ontwikkelen en aan ondernemers kansen te bieden. Mede daar het loslaten van deze norm naar verwachting geen ongunstige gevolgen heeft voor het landschap is het beleid om het afstandscriterium voor kleinschalige kampeerterreinen los te laten.
In het eerder genoemde beleid van de provincie met betrekking tot het verruimen van het aantal kampeerplaatsen van 15 naar 25 kampeerplaatsen, geldt ook de voorwaarde dat de gemeente het aantal gevallen beperkt, dan wel op haar grondgebied specifieke zones of plaatsen aangeeft waar verruiming mogelijk is. Vanuit deze beleidsnotitie geldt echter dat door het hanteren van specifieke voorwaarden waar een kleinschalige kampeervoorziening aan moet voldoen, per definitie al het aantal gevallen wordt beperkt. Desalniettemin bestaat er begrip voor de bezorgdheid van de provincie om de kwaliteit van het gebied in stand te houden. Om nog beter grip te houden op de ontwikkeling van kleinschalige kampeerterreinen en om te voldoen aan de voorwaarde van de provincie wordt daarom een maximum gesteld aan het aantal kleinschalige kampeerterreinen per gemeente. Per gemeente mogen niet meer dan 20 kleinschalige kampeerterreinen worden opgericht. Deze norm sluit aan bij het huidige aantal kampeerterreinen en maakt een verantwoorde groei mogelijk. Mocht in de toekomst blijken dat een aanpassing hiervan noodzakelijk is dan wordt deze norm in overleg met de provincie opnieuw bekeken.
Bebouwing voorzieningen
In de voorschriften van de bestemmingsplannen zijn geen bepalingen opgenomen met betrekking tot het oprichten van sanitairgebouwen ten behoeve van het kleinschalige kamperen. Het gaat dan hoofdzakelijk om een doucheruimte en toiletten, alsmede een plaats om af te wassen voor de gasten. Uit de praktijk blijkt een oppervlakte van 50 m² voldoende te zijn als maximale oppervlakte voor bijgebouwen op kleinschalige kampeerterreinen. Uit de bedrijfsbezoeken blijkt dat in geval van agrarische gebouwen de voorzieningen veelal in de boerderij of schuur zijn gerealiseerd. Bij woningen is sprake van een afzonderlijk gebouw dat speciaal hiervoor is gebouwd.
In sommige gemeenten bestaat reeds een gemeentelijke regeling voor bijgebouwen bij woningen. De vraag is of deze regeling voldoende ruimte biedt ook voor het realiseren van gebouwen ten behoeve van het kleinschalig kamperen. Zo kan in een regeling bepaald zijn dat bij woningen met recht maximaal 100 m² aan-, uit- en bijgebouwen mag worden gerealiseerd. Indien hiervan 50 m² benodigd is voor het kampeerterrein blijft er maar 50 m² over voor het privégebruik. Soms mag in geval van een grotere kavel, dat in geval van kleinschalige kampeerterreinen per definitie het geval is, ook met recht een grotere oppervlakte aan bijgebouwen worden gebouwd. Een en ander is dus afhankelijk van de gemeentelijke regeling of van het geldende bestemmingsplan.
Duidelijk is dat in sommige gemeenten de bestemmingsplannen en/of bijgebouwenregeling voldoende ruimte bieden, terwijl in andere gemeenten de mogelijkheden beperkt zijn. Het beleid van de verschillende gemeenten loopt uiteen. Om toch voldoende ruimte te krijgen voor kleinschalige kampeerterreinen is het zaak om hier een zekere basisoppervlakte voor te realiseren. Uitgangspunt is dat 50 m² voldoende is voor de sanitaire voorzieningen op een kleinschalig kampeerterrein. In geval de gemeentelijke bijgebouwenregeling niet voldoende ruimt biedt, zou in geval van kleinschalig kamperen een extra oppervlakte van 50 m² moeten worden toegestaan. In de regel zal een maximale oppervlakte van 150 m² bij een woonbestemming voldoende mogelijkheden bieden voor de realisatie van bijgebouwen ten behoeve van zowel het privégebruik als het kleinschalig kamperen. In een dergelijk geval is het opnemen van een extra oppervlakte voor het kamperen niet nodig.
Van belang is verder dat de bebouwing een relatie houdt met de hoofdbebouwing op het perceel. Voorkomen dient te worden dat in het landschap solitaire gebouwen komen te staan. De locatie van het bijgebouw dient dusdanig gekozen te worden dat er een samenhang is met de bestaande bebouwing.
Landschappelijke inpassing
Een relevant aspect bij het afwegen van het wel of niet toelaten van kleinschalige kampeerterreinen in het landschap is de inpasbaarheid. Over het algemeen verstoort de plaatsing van kampeermiddelen enigszins het landschapsbeeld; dit wordt veroorzaakt door de afwijkende vormen en opvallende kleuren. Deze verstoring kan het hoofd worden geboden door te kijken naar mogelijkheden om optimale inpasbaarheid te bewerkstelligen. Hierbij valt te denken aan landschapseigen beplanting rond het kleinschalig kampeerterrein, teneinde het zicht op de kampeermiddelen weg te nemen. Overigens kan afhankelijk van de ligging een open relatie met het omliggende gebied gewenst zijn. In de bestemmingsplannen en de besluiten is opgenomen dat de kampeerterreinen landschappelijk inpasbaar moeten zijn. Dit laat de nodige ruimte open voor verschillende interpretaties.
Het gaat hier om een wezenlijk punt om de ruimtelijke kwaliteit van het gebied in stand te houden. Afhankelijk van de locatie is een aanvullende beplanting al dan niet nodig. Het gaat hier om maatwerk vandaar dat per kampeerterrein afzonderlijk naar de beplanting wordt gekeken. Het voorstel is om de landschappelijke inpassing als voorwaarde bij de ontheffingsbepaling van kleinschalige kampeerterreinen op te nemen en het gebruik van gebiedseigen soorten zoveel mogelijk te stimuleren. Het idee is dat ondernemers voor de aankleding van het kampeerterrein een beplantingsschets indienen. Op deze manier is te waarborgen dat het kampeerterrein landschappelijk in de omgeving wordt ingepast.
Overige vormen kamperen
Naast de reguliere en de kleinschalige kampeerterreinen kent de WOR ook nog andere vormen van kamperen. Het betreft hier de bijzondere natuurkampeerterreinen, het groepskamperen, het verenigingskamperen en het vrij kamperen. Ook voor deze vormen is met het verdwijnen van de WOR nieuw beleid en regelgeving nodig.
Natuurkampeerterreinen
Natuurkampeerterreinen worden gekenmerkt door de ligging bij een natuurgebied en/of in een waardevol cultuurlandschap. De kampeerplaatsen op dergelijke terreinen hebben een natuurlijk karakter en zijn bestemd voor de rustzoekende kampeerder. Voor het verkrijgen van de kwalificatie “Natuurkampeerterrein” moeten de kampeerterreinen voldoen aan de “Richtlijnen voor Erkenning, Inrichting en Beheer” van de Stichting Natuurkampeerterreinen. In Noordoost Fryslân komen deze terreinen nauwelijks voor, alleen in Kollumerland c.a. zijn twee door de Stichting Natuurkampeerterreinen erkende natuurkampeerterreinen gevestigd, te weten “De Pomp” en ‘Slickstaete’. De eerste is een natuurkampeerterrein dat in beheer is van Staatsbosbeheer en is opgenomen in een bestemmingsplan. De laatste is een particulier terrein dat is gevestigd op basis van een ontheffing voor een kleinschalig kampeerterrein.
Op basis van de WOR heeft men voor het houden van een natuurkampeerterrein een ontheffing van Burgemeester en Wethouders nodig. De NOFA+ gemeenten hebben tot dusverre geen specifiek beleid geformuleerd ten aanzien van deze vorm van kamperen. Het bestemmingsplan “Buitengebied Kollumerland c.a.” biedt voor deze vorm van kamperen enkele mogelijkheden. Binnen de bestemmingsplannen van de overige gemeenten is deze vorm van kamperen niet toegestaan. Voor deze gemeenten gelden dezelfde regels als voor de reguliere kampeerterreinen en is een wijziging van het bestemmingsplan nodig.
In tegenstelling tot reguliere kampeerterreinen worden natuurkampeerterreinen op voorhand niet uitgesloten in of nabij natuurgebieden. Gelet op haar bijzondere karakter bevinden ze zich per definitie juist in natuurgebieden of bijzondere landschappen. Dit betekent wel dat voor de vestiging van een dergelijk terrein een zorgvuldige ruimtelijke afweging gewenst is. Het beleid is om bij de vestiging van een natuurkampeerterrein dezelfde procedure te doorlopen als in geval van een regulier kampeerterrein. Dit betekent dat een grootschalig natuurkampeerterrein in een bestemmingsplan dient te worden opgenomen. Als uitgangspunt voor de beoordeling van een dergelijk terrein worden de richtlijnen van Stichting Natuurkampeerterreinen gehanteerd. Dit met extra aandacht voor de omgeving en de bijzondere kenmerken van dergelijke kampeerterreinen. Bij de bestemmingsplanprocedure gelden de door de stichting bepaalde voorwaarden en deze worden voor zover dit kan in het bestemmingsplan opgenomen en hier moet aan worden voldaan.
Het bovenstaande geldt echter niet voor een natuurkampeerterrein dat gelet op het beperkte aantal kampeermiddelen als een kleinschalig kampeerterrein kan worden beschouwd. Het gaat dan om een beperkt aantal kampeermiddelen en hiervoor gelden dezelfde uitgangspunten als voor het kleinschalig kamperen. Er bestaat derhalve een onderscheid tussen de vergunning-/ontheffingsprocedure en de status van het kampeerterrein op grond van Stichting Natuurkampeerterreinen. Voor het mogen voeren van de naam natuurkampeerterrein dient men tenminste aan de voorwaarden van de Stichting Natuurkampeerterreinen te voldoen. Het vestigen van een kampeerterrein daarentegen volgt het gemeentelijke beleid en regelgeving.
Voor de duidelijkheid zijn hieronder nog de richtlijnen van de Stichting weergegeven. De Stichting die in 1975 is opgericht, bevordert het kamperen op natuurkampeerterreinen en behartigt de belangen van de eigenaren en beheerders.
Voorwaarden Stichting Natuurkampeerterreinen
Het terrein is gelegen in een aaneengesloten gebied van ten minste 25 hectare, waarvan in ieder geval de helft bestaat uit bos, natuurgebied en/of waardevol cultuurlandschap;
Het terrein is zodanig gelegen dat er geen geluid, stank of lichtoverlast is;
Het terrein wordt uitsluitend gebruikt door toeristische (mobiele) kampeermiddelen zoals tent, toercaravan, camper, vouwwagen of huifkar;
Per hectare worden niet meer dan 30 kampeerplaatsen gerealiseerd;
Het streven is naar terreinen van maximaal 1 hectare;
Het al dan niet, aaneengesloten natuurkampeerterrein is niet groter dan 3 hectare met daarop maximaal 90 kampeerplaatsen;
Parkeren bij het kampeermiddel is niet toegestaan;
De maximale verblijfsduur bedraagt 28 overnachtingen.
Verenigings- en groepskamperen
Op basis van de WOR kunnen Burgemeester en Wethouders een ontheffing verlenen om buiten een erkende kampeerinrichting gedurende een korte, aaneengesloten periode kampeeractiviteiten toe te staan. Deze ontheffing kan worden verleend aan groepen met een sociale, culturele, educatieve of wetenschappelijke doelstelling. In de praktijk wordt er op grond van het verschillende karakter voor deze vorm van kamperen een onderscheid gehanteerd tussen het groeps- en verenigingskamperen. Het toestaan van het tijdelijk kamperen voor groepen en verenigingen buiten erkende zowel reguliere als kleinschalige kampeerterreinen leidt in principe tot inkomstenderving bij recreatieondernemers. Anderzijds is het soms niet mogelijk of wenselijk om met een grote groep op een dergelijk kampeerterrein te verblijven. De NOFA+ gemeenten hebben naast de criteria in de WOR voor het tijdelijke kamperen tot dusverre geen beleid geformuleerd en/of criteria opgesteld waaraan men moet voldoen om in aanmerking te komen voor een ontheffing.
Verenigingskamperen
Bij het verenigingskamperen gaat het om het houden van een kampeerterrein op eigen terrein en het gebruiken daarvan voor eigen doeleinden. Deze vorm van kamperen is vooral van toepassing op bijvoorbeeld padvinders of scoutingclubs. Vastgesteld kan worden dat op dit moment in Noordoost Fryslân dit type kampeerterrein niet aanwezig is, maar wellicht ontstaat er een behoefte in de toekomst. Omdat het hier gaat om een frequent gebruik dan wel permanent kampeerterrein van een vereniging of groep is er eigenlijk geen sprake van tijdelijk kamperen maar meer van een regulier- of kleinschalig kampeerterrein. Het voorstel is om in dit verband verenigingskamperen niet langer als een aparte categorie te benoemen. Indien verenigingen met een sociale, culturele, educatieve of wetenschappelijke doelstelling een kampeerterrein willen inrichten voor eigen gebruik, kan hiervoor de afweging gemaakt worden binnen de kaders die gelden voor de reguliere- of kleinschalige kampeerterreinen. Dit sluit aan bij het streven om het kampeerbeleid overzichtelijk en handhaafbaar te houden.
Groepskamperen
Bij groepskamperen gaat het om evenementen die het noodzakelijk maken om in de nabijheid te kamperen. Het gaat hier om het ten behoeve van een veelal meerdaags evenement eenmalig een onderkomen te bieden aan de bezoekers. Hierbij valt te denken aan sporttoernooien, landgoedkampen, wandel- en hippische evenementen etc.
In de NOFA+ gemeenten komt deze vorm van kamperen zeer beperkt voor. In Kollumerland c.a. wordt voor het Pinksterfeest in Veenklooster eenmaal per jaar een ontheffing verleend op grond van de APV. Verder zijn er geen gevallen van het groepskamperen bekend.
Dit groepskamperen is eigenlijk een vorm die niet te vergelijken is met het regulier of kleinschalig kamperen. Derhalve is het voorstel om het groepskamperen onder te brengen in de APV op grond waarvan een ontheffing kan worden verleend. De APV zal hierop moeten worden aangepast. Door dit op deze manier te regelen kunnen aanvragen individueel worden beoordeeld. Hierdoor houdt een gemeente grip op de locatie, periode en de aard van het tijdelijke groepskampeerterrein.
Het tijdelijk groepskamperen zal aan een aantal criteria moeten voldoen. Een ontheffing voor het houden van een tijdelijk groepskampeerterrein kan worden verleend, indien:
aangetoond kan worden dat het tijdelijk groepskamperen ten behoeve van een evenement plaatsvindt, dan wel dat er sprake is van een groep met een gemeenschappelijk doel ten tijde van dit kamperen, zoals een schoolkamp, een familiekamp of een sport- of verenigingskamp;
het tijdelijk kamperen uitsluitend plaatsvindt in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober en aangetoond wordt dat buiten deze periode het terrein leeg zal zijn;
de tijdelijkheid van het kamperen maximaal 10 dagen mag bedragen al dan niet aaneengesloten in maximaal 2 perioden;
op het tijdelijke kampeerterrein geen vaste kampeermiddelen zoals stacaravans of chalets worden geplaatst;
aan de ontheffing zullen nadere voorschriften worden verbonden op basis van de APV.
Vrij kamperen en Kamperen op eigen terrein
Op basis van de WOR is het mogelijk om “vrij kamperen” buiten een erkend kampeerterrein toe te staan al dan niet op een eigen terrein. Het gaat hier om een vorm van particulier gebruik dan wel om het kamperen bij bijvoorbeeld een aanligplaats. Indien gemeenten dit willen toestaan moeten zij hiervoor specifiek een verordening opstellen. De gemeenten Dongeradeel en Kollumerland c.a. hebben geen specifieke verordening waardoor het in deze gemeenten niet is toegestaan. De gemeente Achtkarspelen, Dantumadeel en Ferwerderadiel bieden wel mogelijkheden voor het vrij kamperen. In een aantal gevallen is het binnen het kampeerseizoen mogelijk om één of enkele kampeermiddelen gedurende een korte periode buiten een kampeerterrein te plaatsen. Dit kan zowel gaan om het eigen terrein dan wel om bijvoorbeeld een terrein bij jacht- en passantenhavens.
Voor het nieuwe beleid is het voorstel om ruimte te bieden aan deze vorm van kamperen. Daarbij willen wij onderscheid maken tussen het vrij kamperen op eigen terrein en het vrij kamperen elders, bijvoorbeeld bij een jachthaven. “Kamperen op eigen terrein” zal in de praktijk weinig voorkomen, maar er kan in bepaalde gevallen toch behoefte aan bestaan. Bij deze vorm van vrij kamperen gaat het om een zeer beperkt aantal kampeermiddelen, die weinig invloed hebben op de omgeving. Het is dan ook niet nodig om hieraan veel voorwaarden te stellen. Wat betreft het “vrij kamperen” buiten eigen terrein valt te denken aan locaties die door het College van Burgemeester en Wethouders kunnen worden aangewezen. Aan deze mogelijkheid valt met name te denken bij jacht- of passantenhavens in dorpen of bij de aanlegplaatsen van de Marrekrite in het buitengebied.
Gelet op de beperkte omvang van het “vrij kamperen” en “kamperen op eigen terrein” en de beperkte invloed die dit heeft, is het voorstel om dit te regelen in de APV en op basis hiervan bepalingen op te nemen. Voor het “kamperen op eigen terrein” geldt dat het is toegestaan in de periode van 15 maart t/m 31 oktober een beperkt aantal keren gedurende ten hoogste één week ten hoogste één mobiel kampeermiddel te plaatsen bij de woning. Gemeentebesturen kunnen voor het “Vrij kamperen” locaties aanwijzen waar dit mogelijk is voor een beperkt aantal kampeermiddelen en voor een beperkte periode.
Het gaat hier bij uitstek om kampeerplaatsen bij jacht- en passantenhavens of bij de aanlegvoorzieningen in het buitengebied. Bij uitzondering kan hiervoor ook een andere geschikte locatie worden aangewezen. Het aantal kampeerplaatsen is afhankelijk van de locatie, waarbij te denken valt aan een maximum van vijf en voor wat betreft de periode aan één of enkele dagen.
GOP’s - Gereguleerde Overnachtings Plaatsen
Een ontwikkeling die in snel tempo toeneemt, is het kamperen in een kampeerauto of camper. Toeristen trekken tijdens hun vakantie rond in een camper, waarbij sommigen gebruik maken van de bestaande kampeerterreinen om te overnachten, maar ook vele op parkeerterreinen of andere plekken langs de openbare weg gaan staan. Dit laatste gebruik is op grond van de gemeentelijke APV niet toegestaan. In het kader van het stimuleren van verscheidenheid in kampeervormen is het van belang om beleid vast te stellen inzake de standplaatsen voor kampeerauto’s.
Wat betreft de standplaatsen voor kampeerauto’s buiten de kampeerterreinen wordt gesproken over een Gereguleerde Overnachtingplaats (GOP). Een GOP is een (parkeer)plaats, geheel of gedeeltelijk ingericht voor een kampeerauto en die gedurende een beperkt aantal nachten wordt gebruikt als verblijfplaats. Bij deze GOP’s kunnen al dan niet voorzieningen worden aangebracht als bijvoorbeeld een watertappunt, stroomvoorziening of toilet. Deze plaatsen liggen al dan niet binnen de bebouwde kom en zijn gevestigd buiten de reguliere of kleinschalige kampeerterreinen. Op grond van de WOR is de gemeente bevoegd om bepaalde terreinen aan te wijzen waar men “vrij” mag kamperen. Het realiseren van een GOP zou binnen deze bevoegdheid kunnen vallen. Sommige gemeenten hebben al speciaal voor deze rondtrekkende kampeerders verblijfplaatsen gerealiseerd. Vaak gaat het hier om (parkeer)plaatsen binnen de bebouwde kom met of zonder (toilet)voorzieningen, waarvan het gebruik veelal gratis is.
Uit de recreatiewereld wordt duidelijk dat er een bepaalde behoefte bestaat aan dergelijke overnachtingplaatsen. Het gaat dan om toeristen die op doorreis zijn en enkel behoefte hebben aan een parkeerplaats om te overnachten. Zij hebben veelal alle voorzieningen aan boord en zijn niet afhankelijk van een kampeerterrein. Bekend is ook dat het aantal mensen met een kampeerauto de afgelopen jaren groeiende is. De vraag is in hoeverre gemeenten hieraan haar medewerking willen verlenen, daar in de meeste gevallen kampeerauto’s ook goed terecht kunnen op de reguliere of kleinschalige kampeerterreinen. In feite gaat het om een voorziening die concurrerend werkt en in geval van een gratis aanbod ten koste gaat van het gebruik van kampeerterreinen.
De NOFA+ gemeenten staan in beginsel positief tegenover het realiseren van een aantal GOP’s. Een argument hiervoor is dat de kampeerautorecreanten met hun inkopen en verblijf de middenstand in de gemeenten ten goede komt. Bovendien kan veelal gebruik worden gemaakt van de bestaande parkeerplaatsen en is het aldus een kleine moeite om deze plaatsen te realiseren. Een onderscheid is evenwel te maken tussen het al dan niet bieden van voorzieningen in de vorm van een waterpunt, een toiletgelegenheid en een leegpunt voor het chemisch toilet. Met deze voorzieningen komt het dichter in de buurt bij wat een kampeerterrein te bieden heeft en is daarmee concurrerend.
Het beleid is om gemeentebesturen zelf de keuze te geven voor het al dan niet realiseren van GOP’s. Om oneerlijke concurrentie te voorkomen geldt wel het uitgangspunt om dit uitsluitend te doen zonder de eerder genoemde voorzieningen. De GOP dient uitsluitend bedoeld te zijn voor een kampeerauto die er gedurende één nacht verblijft en vervolgens verder trekt.
De kampeerders die enkele dagen in een gebied willen verblijven kunnen terecht op de beschikbare kampeerterreinen. Het wordt de colleges derhalve vrijgelaten om hiervoor enkele geschikte terreinen binnen haar gemeente aan te wijzen. Het verdient de voorkeur om dit te doen op reeds bestaande terreinen die hiervoor geschikt zijn. Hierbij valt te denken aan een parkeerterrein bij het winkelcentrum in de grotere plaatsen, maar ook buiten de bebouwde kom in het buitengebied op bestaande “bietenopslagplaatsen” langs de weg. Natuurlijk kunnen recreatieondernemers ook zelf op deze markt inspringen door speciale kampeerplaatsen en/of tarieven aan te bieden voor deze doelgroep. Zij kunnen door wel voorzieningen aan te brengen een onderscheid maken met de GOP’s en deze groep aan zich binden.
Voor het regelen en toewijzen van GOP’s zal de APV van de gemeenten worden aangepast. Gelet op het beperkte karakter hiervan is dit het meest geschikte instrument om dit te regelen. In de APV worden bepalingen opgenomen die het gemeentebestuur de bevoegdheid geven om deze plaatsen aan te wijzen. Voor de realisering van een GOP gelden in het algemeen de volgende uitgangspunten:
een goede bereikbaarheid van de locatie;
een eenvoudige inrichting zonder faciliteiten van een camping (minimale inrichtingseisen, verharding en openbare terreinverlichting);
op een locatie minimaal twee parkeerplekken als GOP;
alleen toegankelijk voor kampeerautobezitters en bestemd voor korte verblijfsrecreatie;
de maximale toegestane verblijfsduur is één overnachting van 17:00 t/m 10:00 uur in de periode van 15 maart t/m 31 oktober;
ligging in de nabijheid van een dorpskern met winkelvoorzieningen.
Juridische instrumenten
In het voorgaande is het kampeerbeleid voor de NOFA+ gemeenten neergezet. Daarbij is een onderscheid gemaakt naar de reguliere kampeerterreinen, de kleinschalige kampeerterreinen en overige vormen van kamperen. Per onderdeel van het kampeerbeleid is bepaald hoe een en ander na de WOR juridisch wordt vertaald. Afhankelijk van de vorm van kamperen is voor het beleid een keuze gemaakt voor een bepaalde vorm van regelgeving. In dit hoofdstuk vindt per onderdeel een verdere uitwerking van deze regelgeving plaats. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen reeds bestaande kampeerterreinen en nieuwe initiatieven.
Reguliere kampeerterreinen
Bestaande kampeerterreinen
De huidige reguliere kampeerterreinen zijn allemaal in een bestemmingsplan opgenomen. Voor sommige kampeerterreinen geldt een afzonderlijk bestemmingsplan en in andere gevallen maakt het onderdeel uit van een bestemmingsplan voor een groter gebied. In beide gevallen maakt het bestemmingsplan de uitoefening van het recreatiebedrijf of het gebruik van gronden als kampeerterrein mogelijk. Juridisch gezien verandert er na de intrekking van de WOR niets voor wat betreft de bestemmingsplannen van deze kampeerterreinen. Er bestaat dan ook geen acute noodzaak voor de gemeenten om deze plannen op korte termijn aan te passen. Het is echter wel zo dat deze plannen gebaseerd zijn op het oude beleid. Voor de verwerking van het onderhavige beleid is het uiteindelijk nodig om de bestemmingsplannen aan te passen. Het verdient in dit geval de voorkeur om pas in geval van herziening van het bestaande bestemmingsplan de uitgangspunten van het kampeerbeleid mee te nemen. Dit gelet op de tijdrovende procedure en de te maken kosten.
Recreatieondernemingen hebben voor het houden van een kampeerterrein ook nog een vergunning nodig op grond van de WOR. Deze vergunning komt te vervallen en hiervoor zou het misschien nodig zijn om iets ter vervanging te regelen. De conclusie is echter dat de bepalingen die bij de huidige vergunning nog gehanteerd worden geen waarde meer hebben. Het betreft vooral zaken over veiligheid en toezicht op het kampeerterrein, die reeds door wet- en regelgeving zijn ondervangen dan wel tot de verantwoordelijkheid van de recreatieondernemer zijn te rekenen. Alleen voor wat betreft het aantal kampeerplaatsen is de vergunning nog bepalend, maar het onderhavige beleid wil dit juist ook vrijlaten. Op de hiervoor bestemde terreinen en binnen de gegeven voorschriften kan de ondernemer dit naar eigen inzicht regelen.
Nieuwe initiatieven reguliere kampeerterreinen
Voor een nieuw te vestigen kampeerterrein geldt dat hiervoor een bestemmingsplan moet worden gemaakt. Voor het maken en vaststellen van een bestemmingsplan dient de hiervoor geldende procedure op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) doorlopen te worden. Een initiatiefnemer die van plan is om een kampeerterrein te vestigen dient hiervoor een verzoek in te dienen bij de desbetreffende gemeente. Een gemeente beoordeelt een dergelijk verzoek op grond van het onderhavige kampeerbeleid, het ruimtelijke beleid en eventueel beleid van andere overheden. Indien een gemeente positief tegenover het plan staat, zal hiervoor de procedure om te komen tot een wijziging dan wel herziening van het bestemmingsplan worden opgestart.
Bij de totstandkoming van een bestemmingsplan worden alle belangen die door het nieuwe plan geraakt worden in beeld gebracht en zorgvuldig afgewogen. Bovendien doorloopt het bestemmingsplan een uitgebreide procedure, die voorziet in verschillende inspraakmomenten.
Kleinschalig kamperen
Nieuwe regelgeving kleinschalig kamperen
De bestemmingsplannen in een gemeente bepalen op dit moment of het kleinschalig kamperen op grond van de WOR is toegestaan. Indien het bestemmingsplan zich hier niet tegen verzet kan op grond van de WOR een ontheffing of vrijstelling voor een kleinschalig kampeerterrein worden verleend. Voor de toekomst is het de bedoeling om een ontheffingsbepaling hiervoor direct in het bestemmingsplan op te nemen op grond van de Wro. Dit kan in de vorm van een algemene ontheffingsbepaling in een afzonderlijk artikel in het bestemmingsplan of door middel van een bijzondere ontheffingsbepaling als onderdeel van een bepaalde bestemming. Op grond van het bestemmingsplan kan iemand dan een verzoek doen om ontheffing voor het oprichten van een kleinschalig kampeerterrein. Aan het verlenen van een dergelijke ontheffing zijn op grond van het onderhavige beleid een aantal voorwaarden verbonden. Het betreft hier bijvoorbeeld de bepalingen over de minimale oppervlakte van het terrein, het aantal kampeerplaatsen, de te hanteren afstandscriteria, het parkeren op eigen terrein etc. In de ontheffingsbepaling wordt aldus bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden deze ontheffing kan worden verleend.
Voor wat betreft de herziening van het bestemmingsplan en het opnemen van de genoemde ontheffingsbepaling geldt het volgende. Het kleinschalig kamperen zal in de meeste gevallen plaatsvinden in het buitengebied en derhalve ook in dit bestemmingsplan moeten worden opgenomen. Het onderhavige beleid zal voor het kamperen als input of kader dienen voor hetgeen in het bestemmingsplan wordt opgenomen. De gemaakte beleidskeuzes over bijvoorbeeld de zonering van het kleinschalig kamperen, het aantal plaatsen op een terrein en gestelde voorwaarden zullen hun weerslag hierin vinden. Op dit moment werken de gemeenten Achtkarspelen, Dantumadeel, Kollumerland c.a. en Dongeradeel aan een nieuw bestemmingsplan voor het buitengebied. Dit bestemmingsplan omvat vrijwel alle gebieden van de gemeente die gelegen zijn buiten de bestaande dorpskommen. Al met al een zeer omvangrijk en gevarieerd gebied, waarvoor het maken en actualiseren een omvangrijke klus is. De verwachting is dat pas over twee tot drie jaar de nieuwe bestemmingsplannen buitengebied geldig zijn. Tot die tijd is andere regelgeving noodzakelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een facetbestemmingsplan kleinschalig kamperen.
Bestaande kampeerterreinen
Met het facetbestemmingsplan kleinschalig kamperen kan in de toekomst het kleinschalig kamperen juridisch geregeld worden echter hiermee is het probleem op dit moment niet opgelost. De verleende vrijstellingen en ontheffingen zijn per 1 januari 2008 komen te vervallen. Voor wat betreft de bestaande kleinschalige kampeerterreinen verdwijnt met de intrekking van de WOR het wettelijk kader. Het feit dat een bestemmingsplan aangeeft dat het zich tegen dit gebruik niet verzet, betekent dat in principe een kampeerterrein mogelijk is. Het is dan echter niet duidelijk of dit zo maar mag of dat hiervoor nog steeds bepaalde voorwaarden gelden. Voorwaarden zoals vastgelegd in de voorschriften bij een bestemmingsplan en/of in afzonderlijk door gemeenten genomen besluiten.
Om dit te ondervangen is een regeling nodig voor de bestaande kleinschalige kampeer-terreinen. In onderhavig geval is er sprake van een overgangsituatie na de intrekking van de WOR en het vaststellen van een nieuw juridisch kader. De oplossing is om de bestaande campings melding te doen dat zij hun activiteiten in 2008 en 2009 op dezelfde voet als voorheen kunnen voortzetten. Dat wil zeggen onder dezelfde voorwaarden als waaronder voor de camping eerder ontheffing of vrijstelling is verleend. Het idee is om de bestaande campings uiteindelijk in het facetbestemmingsplan onder een overgangsregeling te laten vallen. Uitbreidingen op grond van het nieuwe kampeerbeleid zijn pas mogelijk na vaststelling hiervan en de verwerking in het facetbestemmingsplan.
Nieuwe initiatieven kleinschalig kamperen
Indien het geldende (facet)bestemmingsplan de mogelijkheid kent om ontheffing te verlenen voor een kleinschalig kampeerterrein geldt de volgende procedure in geval van een nieuw initiatief. Een persoon die een kleinschalig kampeerterrein wil vestigen, dient hiervoor een verzoek in te dienen bij het college van Burgemeester en Wethouders. Het gaat dan formeel om een verzoek om ontheffing te verlenen van het bestemmingsplan teneinde een terrein te kunnen inrichten en gebruiken als kampeerterrein. De gemeente toetst of het betreffende plan voldoen aan de voorwaarden zoals opgenomen in de ontheffingsbepaling en/of zoals vastgesteld in het onderhavige beleid. Het verlenen van ontheffing voor het kleinschalig kampeerterrein verloopt aldus via een eenvoudige procedure op grond van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.
Indien er geen ontheffingsmogelijkheid in het bestemmingsplan is opgenomen en er nog geen facetbestemmingsplan kleinschalig kamperen onherroepelijk is of het beleid anderszins is geïmplementeerd, is er echter een zware procedure nodig om het initiatief mogelijk te maken. Het kleinschalige kampeerterrein kan dan alleen met een projectbesluit of partiële herziening mogelijk worden gemaakt. Het is dan ook zaak om zo spoedig mogelijk een facetbestemmingsplan kleinschalig kamperen op te stellen dan wel het onderhavige beleid anderszins om te zetten naar een toetsingskader. Te denken valt aan het opstellen van beleidsregels.
Overige kamperen
Het overige kamperen betreft het groeps- en verenigingskamperen, de natuurkampeer-terreinen en het kamperen buiten een kampeerterrein. Zoals uit het onderhavige beleid duidelijk wordt, vindt afhankelijk van de vorm een regeling plaats in het bestemmingsplan of op grond van de APV.
Voor wat betreft het verenigingskamperen geldt dezelfde situatie als het kleinschalig kamperen. Op grond van een ontheffingsbepaling in het bestemmingsplan kan in de toekomst onder bepaalde voorwaarden hieraan medewerking worden verleend. Als het gaat om het groepskamperen is in het beleid gesteld dat dit gelet op het karakter ondergebracht zal worden in de APV. In de APV wordt aangegeven dat hiervoor ontheffing kan worden verleend met inachtneming van de in dit beleidsplan gestelde voorwaarden. Het gaat hier om het kamperen bij tijdelijke evenementen gedurende slechts een beperkte periode.
De natuurkampeerterreinen worden in dit beleid gelijkgeschakeld aan de reguliere kampeerterreinen. Dit betekent dat voor de vestiging van een nieuw terrein het volgen van een bestemmingsplanprocedure noodzakelijk is. In geval van een kleinschalig natuurkampeerterrein gelden dezelfde regels als voor het kleinschalig kamperen, hier wordt geen onderscheid naar gemaakt.
Het vrije kamperen zal zoals in het beleid is bepaald vastgelegd worden in de APV van de gemeenten. Het gaat hier om het gebruik van eigen terrein om te kamperen en het toewijzen door het gemeentebestuur van bijvoorbeeld plaatsen bij aanlegsteigers en jachthavens. In het onderhavige beleid staan hiervoor de uitgangspunten opgenomen.
Voor het regelen en toewijzen van GOP’s zal de APV van de gemeenten waar nodig worden aangepast. Gelet op het beperkte karakter hiervan is dit het meest geschikte instrument om dit te regelen. In de APV worden bepalingen opgenomen die het gemeentebestuur de bevoegdheid geven om deze plaatsen aan te wijzen.
Samenvatting beleidsregels Kampeerbeleid
Hieronder is als samenvatting een overzicht gegeven van de belangrijkste beleidsbepalingen van het kampeerbeleid NOFA+. Dit overzicht is bedoeld als hulpmiddel om in korte tijd inzicht te krijgen in het nieuwe kampeerbeleid en de mogelijkheden die dit biedt. Het is dan ook niet samengesteld als een volledige weergave van alle beleidspunten en bepalingen. Voor een volledig beeld en een juiste interpretatie is het lezen van de integrale tekst van het beleidsplan noodzakelijk.
Reguliere kampeerterreinen |
Procedure | Bij de vestiging van een nieuw kampeerterrein is een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk (bestemmingsplanprocedure / partiële herziening). | § 6.1 | |
Vestiging | Nieuwe kampeerterreinen zijn mogelijk bij de stedelijke en regionale centra en de recreatiekernen, maar ook in het landelijk gebied mits aan aanvullende landschappelijke en natuurlijke randvoorwaarden is voldaan. | § 3.1
| |
Kampeermiddelen | Op de kampeerterreinen in het kleigebied is het alleen mogelijk om gedurende het kampeerseizoen met mobiele kampeermiddelen te staan. Daarentegen is in het woudengebied ook het plaatsen van vaste kampeermiddelen mogelijk. | § 3.1 | |
Uitponden | Het uitponden van een regulier kampeerterrein is niet toegestaan en een bedrijfsmatige exploitatie van het kampeerterrein is verplicht. | § 3.2 | |
Inrichting terrein | In het bestemmingsplan staan geen gedetailleerde bepalingen meer op te nemen over de soort en het aantal standplaatsen op een terrein. Afhankelijk van het terrein geldt een bepaald maximum waarbinnen een ondernemer zijn plannen kan realiseren. | § 3.3 | |
Uitbreiding | Voor wat betreft de uitbreiding van bestaande kampeerterreinen is overeenkomstig het provinciaal beleid in ieder geval ruimte tot 200 standplaatsen. | § 3.3 | |
Accommodaties | Op een regulier kampeerterrein waar stacaravans zijn toegestaan is het mogelijk om deze te vervangen door chalets, trekkershutten en blokhutten (eventueel bouwvergunning en procedure noodzakelijk). | § 3.4 | |
Afmetingen | Voor de te plaatsen vaste kampeermiddelen worden ruimere mogelijkheden geboden voor wat betreft de maximale oppervlakte, de hoogte en de breedte. | § 3.5 | |
Kampeerperiode | Op een regulier kampeerterrein waar vaste kampeermiddelen zijn toegestaan is de kampeerperiode vrij en mag jaarrond gekampeerd worden. Indien geen vaste kampeermiddelen zijn toegestaan, geldt de kampeerperiode van 15 maart t/m 31 oktober. | § 3.6 | |
Landschap | Voor een regulier kampeerterrein is een landschappelijke inpassing (in veel gevallen een passende afschermende beplanting) verplicht. | § 3.7 |
Kleinschalige kampeerterreinen |
Waar mogelijk | Nieuwe kleinschalige kampeerterreinen zijn in beginsel in het buitengebied van de gemeenten overal mogelijk met uitzondering van de natuurgebieden. | § 4.1 | |
Procedure | Voor het oprichten van een kleinschalig kampeerterrein in het buitengebied wordt een ontheffingsbepaling in het bestemmingsplan opgenomen. | § 4.2 | |
Bebouwde kom | Het oprichten van een kleinschalig kampeerterrein is ook in de bebouwde kom mogelijk en hiervoor wordt een ontheffingsbepaling in de bestemmingsplannen opgenomen. | § 4.2 | |
Kampeerplaatsen | Voor de plaatsing van kampeermiddelen wordt gesproken over “kampeerplaatsen”, waarbij op iedere kampeerplaats één hoofd kampeermiddel en een aantal bijzettentjes geplaatst mogen worden. | § 4.3 | |
Uitbreiding | Op kleinschalige kampeerterreinen is onder een aantal voorwaarden een verruiming van het aantal kampeerplaatsen naar 25 mogelijk bij (voormalige) agrarische gebouwen. Deze uitbreiding is ook mogelijk bij overige objecten zoals woningen, mits goed gemotiveerd en voldoend aan de criteria zoals opgenomen in dit beleidsplan. | § 4.4 | |
Vaste kampeermiddelen | Het beleid is om vaste kampeermiddelen op kleinschalige kampeerterreinen onder een aantal voorwaarden mogelijk te maken in het woudengebied. De gemeenten Kollumerland c.a. en Ferwerderadiel willen vaste kampeermiddelen op kleinschalige kampeerterreinen in het kleigebied ook toestaan, mits er sprake is van een goede landschappelijke inpassing. | § 4.5 | |
Gebruik vaste kampeermiddelen | Vaste kampeermiddelen op kleinschalige kampeerterreinen mogen uitsluitend worden gebruikt voor toeristisch kamperen. Voor dergelijke kampeermiddelen is de kampeerperiode vrij en deze mogen jaarrond gebruikt worden. | § 4.5 | |
Kampeerperiode | Voor een kleinschalig kampeerterrein geldt de kampeerperiode van 15 maart tot en met 31 oktober waarin het plaatsen van kampeermiddelen is toegestaan. | § 4.6 | |
Oppervlakte | Voor het vestigen van een kleinschalig kampeerterrein dient de totale oppervlakte van het betreffende perceel bij 15 kampeerplaatsen minimaal 0,50 hectare groot te zijn en bij 25 kampeerplaatsen minimaal 0,75 hectare. | § 4.7 | |
Afstanden | Als richtlijn voor de afstand van het kleinschalig kampeerterrein tot de gevel van de dichtstbijzijnde woning wordt in principe minimaal 50 meter aangehouden, maar hiervan kan door de gemeente gemotiveerd worden afgeweken. Maatwerk is dus mogelijk. | § 4.8 | |
Zonering | Per gemeente mogen niet meer dan 20 kleinschalige kampeerterreinen worden opgericht. | § 4.8 | |
Ligging terrein | Het kleinschalige kampeerterrein moet voor wat betreft de ligging direct aansluiten op de bestaande woonbebouwing of bedrijfsbebouwing. | § 4.9 | |
Bijgebouwen | Bij een kleinschalig kampeerterrein mag voor de sanitaire voorzieningen tot maximaal 50 m2 aan bijgebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gerealiseerd. De locatie van het bijgebouw dient dusdanig gekozen te worden dat er een samenhang is met de bestaande bebouwing. | § 4.9 | |
Landschap | Voor een kleinschalige kampeerterrein geldt een landschappelijke inpassing als voorwaarde bij de ontheffingsbepaling waarbij voor de beplanting het gebruik van gebiedseigen soorten de voorkeur heeft. | § 4.10 |
Natuurkampeerterreinen |
Procedure | Bij het vestigen van een natuurkampeerterrein dient dezelfde procedure te worden doorlopen als in geval van het vestigen van een regulier kampeerterrein. | § 5.1 | |
Richtlijnen | In de procedure worden de richtlijnen van Stichting Natuurkampeerterreinen als uitgangspunt genomen voor de beoordeling, met daarbij extra aandacht voor de natuurlijke omgeving en de bijzondere kenmerken van dergelijke kampeerterreinen. | § 5.1 | |
Kleinschalig | Voor een natuurkampeerterrein met een beperkt aantal kampeermiddelen gelden dezelfde uitgangspunten en voorwaarden als bij een kleinschalig kampeerterrein. | § 5.1 |
Verenigingskamperen |
Procedure | Verenigingskamperen wordt niet langer benoemd als aparte categorie van kamperen, maar valt binnen de kaders die gelden voor een regulier of kleinschalig kampeerterrein. | § 5.2 |
Groepskamperen |
Procedure | Groepskamperen wordt niet langer benoemd als aparte categorie, maar wordt ondergebracht in de APV op grond waarvan een ontheffing kan worden verleend onder een aantal voorwaarden. | § 5.2 | |
Aard | Groepskamperen is uitsluitend mogelijk ten behoeve van een evenement of ten behoeve van kamperen met een gemeenschappelijk doel en kent een beperkte periode. Het gaat bij groepskamperen uitsluitend om het gebruik van mobiele kampeermiddelen. | § 5.2 |
Vrij kamperen en kamperen op eigen terrein |
Procedure | “Vrij kamperen” en “kamperen op eigen terrein” wordt geregeld in de APV en op basis hiervan worden de voorwaarden en bepalingen opgenomen. | § 5.3 | |
Eigen terrein | Het “Kamperen op eigen terrein” is bij een woning mogelijk met ten hoogste één mobiel kampeermiddel in de periode van 15 maart /m 31 oktober. Het kamperen mag voor een beperkt aantal keren gedurende ten hoogste een week plaatsvinden. | § 5.3 | |
Andere locaties | Gemeentebesturen kunnen locaties aanwijzen waar “Vrij kamperen” mogelijk is voor een beperkt aantal kampeermiddelen en voor een beperkte periode. Dit kan o.a. bij jacht- en passantenhavens, of bij aanlegvoorzieningen in het buitengebied. | § 5.3 |
Gereguleerde Overnachtingplaatsen (GOP’s) |
Procedure | Gemeentebesturen hebben zelf de keuze om al dan niet GOP’s te realiseren binnen hun gemeentegrenzen en hiervoor een aantal geschikte terreinen aan te wijzen. Het gaat hier om bestaande terreinen zonder voorzieningen uitsluitend ten behoeve van het overnachten van kampeerauto’s | § 5.4 | |
Locatie | De GOP dient bij voorkeur gerealiseerd te worden op een parkeerterrein bij een winkelcentrum in de grotere plaatsen of op bestaande parkeerplaatsen langs de weg in het buitengebied Een locatie voor een GOP dient goed bereikbaar te zijn en minimaal ruimte te bieden aan twee plaatsen. | § 5.4 | |
Bepalingen | Een GOP dient uitsluitend voor het overnachten met een kampeerauto, gedurende één nacht tussen 17.00 uur en 10.00 uur in de periode van 15 maart t/m 31 oktober, om vervolgens verder te trekken. | § 5.4 |
Begripsbepaling
Kampeerterrein |
| Een terrein of een deel van een terrein met minimaal een wasgelegenheid en toiletten, waarop kan worden overnacht in tenten, toercaravans, kampeerauto’s, stacaravans, tenthuisjes of trekkershutten. |
|
|
|
Kampeerbedrijf |
| Een bedrijf welke bestaat uit één van de volgende vormen; regulier- of kleinschalig kampeerterrein, natuurkampeerterrein of huisjescomplexen. |
|
|
|
Regulier kampeerterrein |
| Een kampeerterrein met een recreatieve bestemming in het bestemmingsplan waar plaatsen voor mobiele en vaste kampeermiddelen verhuurd worden als toeristische, seizoens- en jaarstandplaatsen. |
|
|
|
Kleinschalig kampeerterrein |
| Een kampeerterrein met een recreatieve medebestemming in het bestemmingsplan waar een beperkt aantal kampeerplaatsen voor mobiele kampeermiddelen worden verhuurd als toeristische standplaatsen. |
|
|
|
Natuurkampeerterrein |
| Een regulier of kleinschalig kampeerterrein dat voldoet aan de criteria van Stichting Natuurkampeerterreinen om te worden erkend als natuurkampeerterrein. |
|
|
|
Groepskamperen |
| Het incidenteel kamperen buiten een regulier of kleinschalig kampeerterrein met de doelstelling van sociale, culturele, educatieve of wetenschappelijke aard, gedurende een korte aanééngesloten periode. |
|
|
|
Verenigingskamperen |
| Het regelmatig kamperen buiten een regulier of kleinschalig kampeerterrein, uitgaande van een vereniging of andere organisatie met de doelstelling van sociale, culturele, educatieve of wetenschappelijke aard, gedurende korte periodes. |
|
|
|
Vrij kamperen |
| Het plaatsen van mobiele kampeermiddelen buiten een regulier of kleinschalig kampeerterrein op een door het college van B&W aangegeven plaats. |
|
|
|
Kamperen op eigen terrein |
| Het plaatsen van mobiele kampeermiddelen bij een woning op eigen terrein. |
|
|
|
GOP’s |
| Kamperen in een kampeerauto buiten reguliere of kleinschalige kampeerterreinen op een door het college van B&W aangegeven plaats. |
|
|
|
Kampeermiddel |
|
Tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde, waarvoor ingevolge artikel 40 van de Woningwet een bouwvergunning vereist is, een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd op opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. |
|
|
|
Mobiel kampeermiddel |
| Een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan of enig ander onderkomen met de bedoeling te plaatsen op een kampeerterrein voor ten hoogste een kampeerseizoen. |
|
|
|
Vast kampeermiddel |
| Een stacaravan, trekkershut of ander recreatief verblijf met de bedoeling te plaatsen op een kampeerterrein voor een aantal jaren. |
|
|
|
Kampeerplaats |
| Een al dan niet afgescheiden gedeelte van een kampeerterrein, bedoeld voor de plaatsing van een of meer kampeermiddelen. |
|
|
|
Seizoensplaats |
| Een kampeerplaats die beschikbaar is voor een kampeermiddel voor een periode van tenminste drie maanden en ten hoogste acht maanden. |
|
|
|
Toeristische plaats |
| Een kampeerplaats die beschikbaar is voor een kampeermiddel voor een periode van ten hoogste drie maanden. |
|
|
|
Vaste of jaarstandplaats |
| Een kampeerplaats die is ingericht om gedurende het gehele jaar een kampeermiddel te plaatsen (ongeacht de periode van gebruik, echter zonder dat er van permanent verlijft sprake is). |
|
|
|
Bijgebouw |
| Een bouwwerk op een regulier of kleinschalig kampeerterrein bestemd voor centrale voorzieningen voor de gasten die op het kampeerterrein verblijven. |
|
|
|
Bedrijfsmatige exploitatie |
| Het bedrijfsmatig aanbieden van overnachtingsmogelijkheden voor recreatiedoeleinde aan derden op een recreatieterrein waar privaatrechtelijk gezien geen sprake is van verkaveling en/of gesplitste eigendom van ondergrond en/of opstallen. |
Lijst van afkortingen
APV |
| Algemene plaatselijke Verordening |
|
|
|
EHS |
| Ecologische Hoofdstructuur |
|
|
|
GOP |
| Gereguleerde Overnachtings Plaats |
|
|
|
Minister van LNV |
| Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit |
|
|
|
NOFA |
| Noordoost Friese Aanpak |
|
|
|
PFO |
| Portefeuillehouderoverleg |
|
|
|
RECRON |
| Recreatieondernemers Nederland |
|
|
|
SVR |
| Stichting Vrije Recreatie |
|
|
|
VNG |
| Vereniging Nederlandse Gemeenten |
|
|
|
VeKaBo |
| Vereniging van kampeerboeren Nederland |
|
|
|
VROM |
| Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu |
|
|
|
WOR |
| Wet op de Openluchtrecreatie |
|
|
|
Wro |
| Wet ruimtelijke ordening |